% 2: BOA Buitengewoon Opsporingsambtenaar examen vragen 1) De minister is voor zijn beleid aan de ...... politieke verantwoording verschuldigd. A. Koning B. ministerraad C. minister-president D. Staten-Generaal 2) Een minister veroorzaakt als bestuurder van zijn privéauto een aanrijding. Als de politie ter plaatse komt moet hij een blaastest afleggen. Hierbij blijkt dat de minister onder invloed van alcohol is. Hij wordt aangehouden ter zake het misdrijf rijden onder invloed en voorgeleid aan een hulpofficier van justitie. Voor welk soort gerecht moet deze minister terecht staan? A. Rechtbank B. Gerechtshof C. Hoge Raad D. Rechtbank, sector kanton 3) Mogen strafverordeningen worden vastgesteld door gedeputeerde staten? A. Ja, omdat zij het dagelijks bestuur van de provincie zijn, mag dat B. Ja, maar zij moeten de verordeningen laten goedkeuren door provinciale staten C. Nee, algemene de burger verbindende regels mogen alleen worden opgesteld door de regering en de Staten-Generaal D. Nee, dat is een bevoegdheid van de provinciale staten 4) In artikel 2 van de Politiewet 1993 wordt gesproken over het begrip rechtsorde. Welke omschrijving geeft het best de betekenis van dit begrip weer? A. Het geschreven en ongeschreven recht B. Het recht dat bij de wet is geregeld C. Het recht dat verband houdt met de openbare orde D. Het recht dat voorkomt in wetten en verordeningen 5) Artikel 2 van de Politiewet 1993 bepaalt, dat de politie tot taak heeft in ondergeschiktheid aan het ...1... en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de ...2... en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. A. 1 bevoegd gezag 2 rechtsorde B. 1 burgerlijk gezag 2 openbare orde C. 1 overheidsgezag 2 rechtsorde D. 1 bevoegd gezag 2 openbare orde 6) De politie in Nederland bestaat uit het Korps landelijke politiediensten en ...... A. gemeentepolitie en het Korps Rijkspolitie B. provinciale korpsen en bijzondere ambtenaren van politie C. regionale korpsen D. regionale korpsen en bijzondere ambtenaren van politie 7) Een hoofdagent van politie is in verband met een voetbalwedstrijd ingedeeld bij de mobiele eenheid. Na afloop van de wedstrijd raken de supporters van beide verenigingen slaags met elkaar. Door het optreden van de mobiele eenheid keert na enige tijd de rust terug. Wie is het bevoegde gezag van de hoofdagent tijdens het optreden met de mobiele eenheid? A. Burgemeester, commissaris van de Koning, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties B. Burgemeester, commissaris van de Koning, minister van Justitie C. Officier van justitie, hulpofficier van justitie, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties D. Officier van justitie, minister-president, minister van Justitie 8) Een persoon beschikt over de betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden, indien hij ...... A. aantoont de opsporingsbevoegdheid nodig te hebben B. meerderjarig is C. nooit een proces-verbaal heeft gehad D. van onbesproken gedrag is 9) Welke zaken behandelt het gerechtshof? A. Alleen hoger beroepszaken van de meervoudige kamer van de rechtbank B. Alleen hoger beroepszaken van de enkelvoudige kamers van de rechtbank C. Hoger beroep van alle zaken van de rechtbank D. Misdrijven in eerste aanleg 10) Welke van de volgende functionarissen behoort niet tot de staande magistratuur? A. officier van justitie B. hulpofficier van justitie C. advocaat-generaal D. procureur-generaal 11) De kantonrechter is bevoegd kennis te nemen van bepaalde aangewezen strafbare feiten, zoals de meeste overtredingen. In welke wet is geregeld welke kantonrechter bevoegd is om van een bepaald strafbaar feit kennis te nemen? A. Wet op de Rechterlijke Organisatie B. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering C. Wetboek van Strafrecht D. Wetboek van Strafvordering 12) De hulpofficier van justitie neemt in het ...1... een aantal taken en ...2... waar, die in principe aan de officier van justitie toekomen. A. 1 opsporingsonderzoek 2 bevoegdheden B. 1 opsporingsonderzoek 2 verantwoordelijkheden C. 1 strafproces 2 bevoegdheden D. 1 strafproces 2 verantwoordelijkheden 13) Het bewijs dat de verdachte het hem tenlastegelegde strafbare feit heeft begaan, kan door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het ...1... door de inhoud van ...2... de overtuiging heeft bekomen. A. 1 gerechtelijk vooronderzoek 2 bewijsmiddelen B. 1 ingestelde onderzoek 2 wettige bewijsmiddelen C. 1 onderzoek ter terechtzitting 2 wettige bewijsmiddelen D. 1 onderzoek ter rechtzitting 2 bewijsmiddelen 14) I. Bezit is het meest omvattende recht, dat iemand op een zaak kan hebben. II. De eigenaar van een zaak heeft ook altijd het bezit A. I en II zijn juist B. Alleen I is juist C. Alleen II is juist D. I en II zijn niet juist 15) In welk geval is er sprake van het misdrijf wederspannigheid? A. Een aangehouden verdachte die naar het politiebureau wordt gebracht, gebruikt geweld tegen de opsporingsambtenaar door zich los te rukken B. Een demonstrant die passief op de rijbaan blijft liggen, nadat hem herhaaldelijk door een opsporingsambtenaar is bevolen zich te verwijderen C. Een verdachte die een door een opsporingsambtenaar in beslag genomen fles sterke drank stuk slaat D. Een verdachte die weigert gevolg te geven aan een door een opsporingsambtenaar gedane vordering tot uitlevering van een voorwerp 16) De slotbepaling van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht luidt: "De bepalingen der Titels I-VIIIA van dit Boek zijn ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt." Dit houdt onder andere in dat ...... A. de lagere wetgever deze bepalingen niet in acht behoeft te nemen B. een gemeente zelf een strafverordening kan maken C. medeplichtigheid aan een overtreding door een lagere wetgeving strafbaar kan worden gesteld D. poging tot overtreding door een lagere wetgever niet strafbaar kan worden gesteld 17) In een nacht breekt een man de garagedeur van een villa open met de bedoeling om in de villa in te breken. Op het moment, dat hij de woonkamer van de villa inloopt, gaat er een luid alarmsignaal over. Hevig geschrokken verlaat de man de villa zonder iets mee te nemen. Is hier sprake van een strafbare poging tot diefstal door middel van verbreking? A. Ja, de man heeft voorbereidingshandelingen verricht B. Ja, het misdrijf is niet voltooid door omstandigheden die hij zelf niet gewild heeft C. Nee, de man heeft zich vrijwillig teruggetrokken D. Nee, omdat niet alle bestanddelen van het misdrijf zijn voltooid 18) Een algemeen opsporingsambtenaar ziet dat een automobilist een overtreding pleegt, hij houdt hem staande en zegt hem proces-verbaal aan. Ter verificatie van de identiteitsgegevens vraagt hij naar zijn rijbewijs. De verdachte geeft dit aan de opsporingsambtenaar en tevens een biljet van F20- en zegt: "Koop hiervan maar wat leuks voor je vrouw, maar dan moet je geen proces-verbaal opmaken." De opsporingsambtenaar neemt het geld niet aan. Waarvan is hier sprake? A. Actieve omkoping B. Het betreft hier slechts een poging; dit is niet strafbaar C. Passieve omkoping D. Zowel actieve- als passieve omkoping 19) Volgens het territorialiteitsbeginsel is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ...... A. de Nederlander die zich aan enig strafbaar feit schuldig maakt B. ieder die zich buiten Nederland aan een misdrijf schuldig maakt C. ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt D. ieder die zich in Nederland aan met name genoemde strafbare feiten schuldig maakt 20) Een kweker pleegt een feit, dat als overtreding strafbaar is gesteld. Enkele weken daarna wordt de wet gewijzigd. Het betreffende feit wordt vanaf dat moment als misdrijf strafbaar gesteld. Een maand later wordt de strafzaak tegen de kweker behandeld ter rechtzitting. Hij wordt schuldig bevonden aan het tenlastegelede feit. Op grond van het legaliteitsbeginsel wordt de kweker veroordeeld terzake ..... A. de overtreding B. de overtreding of het misdrijf, afhankelijk waar de zwaarste hoofdstraf op staat C. het misdrijf D. geen van beide. Omdat de wet is gewijzigd, vervalt de strafbaarheid voor de eerder gepleegde overtreding 21) Bij poging worden twee soorten handelingen onderscheiden. Het betreft de ...... A. ondersteunings- en opzettelijke handelingen B. schuld- en opzettelijke handelingen C. voorbereidings- en ondersteuningshandelingen D. voorbereidings- en uitvoeringshandelingen 22) Het vermoeden bestaat dat een veehouder op zijn bedrijf verboden groeimiddelen voorhanden heeft, die hij gebruikt bij het fokken van kalveren. Teneinde een opsporingsonderzoek in te stellen en de verboden middelen in beslag te nemen, betreedt een buitengewoon opsporingsambtenaar het erf van de veehouder. Op het erf wordt de opsporingsambtenaar aangevallen door een bouvier. Deze hond, die het eigendom is van de veehouder, probeert de opsporingsambtenaar in de keel te bijten. De opsporingsambtenaar voelt zich ernstig bedreigd en is genoodzaakt de bouvier te doden. De hond werd niet door andere personen aangehitst. De opsporingsambtenaar maakt zich door het doden van de hond in principe schuldig aan een strafbaar feit. Op welke strafuitsluitingsgrond zou de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de rechter met succes een beroep kunnen doen? A. noodweer B. noodweer-exces C. overmacht D. wettelijk voorschrift 23) Een aannemer laat zijn medewerker stenen, die op het trottoir voor zijn werkplaats staan, in een opslagloods brengen. Deze werkzaamheden komen wel vaker voor als de leverancier de stenen aflevert op het moment dat de zaak nog niet open is. In dit geval waren de stenen echter niet voor de aannemer bestemd, maar voor de gemeente, die de stenen voor een herbestrating wil gebruiken. De aannemer was wel hier van op de hoogte maar wil de stenen voor zichzelf gebruiken. De werknemer wist niet beter dan dat de stenen van zijn baas waren. Van welke vorm van daderschap is hier sprake? A. doen plegen B. medeplegen C. plegen en medeplichtige D. uitlokking 24) Voor welk soort strafbaar feit kan men als uitlokker worden gestraft? A. Alleen misdrijven B. Alleen overtredingen C. Misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten D. Zowel misdrijven, als overtredingen 25) Een buitengewoon opsporingsambtenaar ziet dat een man een overtreding pleegt. Hij houdt de verdachte staande en vraagt naar diens identiteitsgegevens. Is de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte naar zijn sociaal-fiscaal nummer (sofi-nummer) te vragen? A. Ja, als hij behoort tot een bepaalde door de Minister van Justitie aangewezen categorie personen, belast met de opsporing van strafbare feiten B. Ja, van staande gehouden verdachten mag het sociaal-fiscaal nummer worden gevorderd, en de verdacht is verplicht dit op te geven C. Nee, dit mag alleen wanneer de verdachte wordt verdacht van een misdrijf D. Nee, hiertoe zijn alleen algemeen opsporingsambtenaren bevoegd 26) Vincent en Karel bezoeken hun stamkroeg. Na enige tijd krijgen de twee een woordenwisseling. De emoties lopen zo hoog op, dat Vincent Karel opzettelijk een vuistslag in het gezicht geeft. Karel krijgt hierdoor een bloedneus. Vincent is na zijn daad het café uitgevlucht. Nadat Karel van de schrik bekomen is, gaat hij op zoek naar Vincent. Na drie minuten treft hij hem in een naburig café en geeft Vincent ook een vuistslag in het gezicht. Welke strafuitsluitingsgrond is op Karel van toepassing? A. Noodweer B. Noodweer-exces C. Overmacht D. Er is geen strafuitsluitingsgrond van toepassing 27) Wie is verplicht een aangifte in ontvangst te nemen? A. Ambtenaar van politie B. Door de minister van Justitie aangewezen opsporingsambtenaar C. Opsporingsambtenaar die met de opsporing van het betreffende strafbare feit is belast D. Opsporingsambtenaar die van het feit kennis neemt 28) In welke gevallen mag een verdachte buiten heterdaad worden aangehouden? A. Voor strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten B. Voor strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan C. Voor strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en het opgeven van valse identiteitsgegevens D. Voor strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en het opgeven van valse identiteitsgegevens, mits er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan 29) Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. Welke betekenis heeft deze bepaling? A. Dat de procedure in strafzaken in een wettelijk voorschrift moet zijn vastgelegd B. Dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een wettelijk voorschrift C. Dat het formele strafrecht slechts mag worden toegepast zoals dat geregeld is in wetten D. Dat strafvordering alleen mag worden vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering 30) Een marktkoopman betrapt iemand bij het stelen van een horloge van zijn marktkraam. De dief weet te ontkomen en de marktkoopman doet direct aangifte bij de politie. Een week later weet een algemeen opsporingsambtenaar de verdachte wiens aanhouding door de officier van justitie is bevolen op te sporen en aan te houden. Was er bij deze aanhouding sprake van ontdekking op heterdaad? A. Ja, want de aangifte gebeurde kort na de ontdekking van het strafbare feit B. Ja, want de marktkoopman ontdekte het feit terwijl het werd begaan C. Nee, het feit werd niet door een opsporingsambtenaar ontdekt D. Nee, de heterdaad duurt slechts voort tot kort na de ontdekking op heterdaad 31) Voor de toepassing van bepaalde bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering moeten er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan. Bij welke bevoegdheid moeten er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan? A. Aanhouding, ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie B. Onderzoek aan de kleding, ter inbeslagneming van voorwerpen C. Ophouden voor onderzoek D. Staandehouding, ter vaststelling van de identiteit 32) Iemand die als verdachte wordt gehoord is niet verplicht te antwoorden om..... A. te voorkomen dat hij zijn verklaring mogelijk niet in vrijheid aflegt B. hem in de gelegenheid te stellen zich goed op zijn verklaring voor te bereiden C. hem in staat te stellen eerst met zijn raadsman te overleggen D. hem de mogelijkheid te bieden zelf te bepalen wanneer hij zijn verklaring af zal leggen 33) Tegen Jan Zwart bestaat een verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering is Jan Zwart verdachte als tegen hem ten aanzien van enig strafbaar feit ...... A. een redelijk vermoeden van schuld bestaat B. een redelijk vermoeden van schuld bestaat, gebaseerd op de ervaring en de bekendheid van de opsporingsambtenaar C. een redelijk vermoeden van schuld bestaat, gebaseerd op feiten of omstandigheden D. ernstige bezwaren bestaan, gebaseerd op feiten of omstandigheden 34) I. Voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie van een aangehouden verdachte maakt het mogelijk, dat reeds spoedig controle wordt uitgeoefend op de rechtmatigheid en de wetmatigheid van de aanhouding. II. Voorgeleiding van een aangehouden verdachte kan achterwege blijven als de aanhoudende opsporingsambtenaar kan aantonen, dat hij rechtmatig handelde. A. I en II zijn juist B. Alleen I is juist C. Alleen II is juist D. I en II zijn niet juist 35) I. Een opsporingsambtenaar, die zonder toestemming van de bewoner een woning betreedt, moet altijd in het bezit zijn van een schriftelijke machtiging. II. Bevoegd om een schriftelijke machtiging te geven om zonder toestemming van de bewoner ter aanhouding van een verdachte een woning te betreden, zijn de officier van justitie, de advocaat-generaal bij het gerechtshof en de hulpofficier van justitie A. I en II zijn juist B. Alleen I is juist C. Alleen II is juist D. I en II zijn niet juist 36) Welke bepaling hoort niet thuis bij het onderzoek aan de kleding ter vaststelling van de identiteit (artikel 55b WvSv)? A. De onderzochte moet verdachte zijn B. De verdachte moet zijn staande gehouden of aangehouden C. Het moet gaan om een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten D. Het moet noodzakelijk zijn voor de identiteitsvaststelling 37) Piet wordt verdacht van een strafbaar feit en wordt door een bevoegd opsporingsambtenaar naar zijn identiteitsgegevens gevraagd. Piet loopt echter gewoon door. De opsporingsambtenaar loopt Piet achterna en dwingt hem te blijven staan. Piet besluit nu te blijven staan, maar geeft de identiteitsgegevens van een vriend op, met wie hij nog een appeltje te schillen heeft. Aan welk strafbaar feit of strafbare feiten maakt Piet zich schuldig? A. Het opgeven van valse identiteitsgegevens B. Het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering C. Het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering en het opgeven van valse identiteitsgegevens D. Zich verzetten tegen een opsporingsambtenaar en het opgeven van valse identiteitsgegevens 38) Wat wordt verstaan onder het opportuniteitsbeginsel? A. Er wordt niet tot vervolging overgegaan als de verdachte daardoor teveel nadeel ondervindt B. Er wordt niet vervolgd omdat de verdachte voor de eerste keer een strafbaar feit pleegde C. Er wordt van vervolging afgezien om redenen aan het algemeen belang ontleend D. Het strafbare feit is niet ernstig genoeg om te vervolgen 39) Een hoofdagent van de regiopolitie wordt aangesproken door een parkeerwachter voor het gemeentehuis. Hij wijst hem een man aan, die hem naar zijn zeggen zojuist heeft mishandeld nadat hij hem een bekeuring had gegeven. De parkeerwachter is buitengewoon opsporingsambtenaar en belast met de handhaving van de plaatselijke parkeerverordening. De parkeerwachter bloedt hevig uit zijn neus. De hoofdagent wil de verdachte aanhouden, maar deze rent het gemeentehuis in en gaat in de raadzaal zitten, waar op dat moment een raadsvergadering wordt gehouden. Is de hoofdagent bevoegd ter aanhouding van de verdachte de raadzaal te betreden? A. Ja, als hij vergezeld wordt door de burgemeester B. Ja, er is sprake van ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad C. Nee, de buitengewoon opsporingsambtenaar moet de verdachte zelf aanhouden D. Nee, er wordt op dat moment een raadsvergadering gehouden 40) Een verdachte wordt aangehouden ter zake de diefstal van een fiets. De fiets wordt bij de verdachte in beslag genomen. De verdachte verklaart schriftelijk tegenover een algemeen opsporingsambtenaar, dat hij geen bezwaar heeft tegen teruggave van de fiets aan de rechthebbende. Kan het openbaar ministerie de fiets teruggeven aan de rechthebbende? A. Ja, de fiets kan door of namens het openbaar ministerie worden teruggegeven B. Ja, een inbeslaggenomen voorwerp kan altijd meteen worden teruggeven aan de rechthebbende, ook al doet de verdachte geen afstand C. Nee, de fiets kan na de strafzaak op last van de rechter worden teruggeven D. Nee, de verdachte dient schriftelijk afstand te doen van de fiets ten overstaan van een hulpofficier van justitie 41) In een platenzaak ziet de verkoopster, dat een vrouw een CD uit een rek pakt. De vrouw loopt zonder de CD af te rekenen langs de kassa en verlaat met de CD in haar hand de platenzaak. Welke bevoegdheden en/of verplichtingen heeft deze verkoopster? A. De verdachte aanhouden, de CD in beslag nemen en de verdachte en CD overleveren aan een opsporingsambtenaar B. De verdachte staande houden, de CD in beslag nemen en overleveren aan een opsporingsambtenaar C. De verdachte aanhouden en overbrengen naar een plaats waar zij zal worden verhoord D. De verdachte staande houden en overleveren aan een opsporingsambtenaar 42) Een buitengewoon opsporingsambtenaar ziet een man een overtreding plegen van de plaatselijke milieuverordening, die hij bevoegd is op te sporen. Welke plaatsen kan deze opsporingsambtenaar betreden om de verdachte aan te houden? A. Alle plaatsen B. Alle plaatsen, met uitzondering van een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd C. Alle plaatsen, met uitzondering van een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd en de beschermde plaatsen uit de Algemene wet op het binnentreden D. Geen enkele plaats, omdat het een overtreding betreft 43) Welke bewering met betrekking tot de vatbaarheid voor inbeslagneming van voorwerpen is juist? A. In alle gevallen, waarin een verdachte aan de kleding wordt onderzocht, zijn de gevonden voorwerpen vatbaar voor inbeslagneming B. In alle gevallen, waarin een verdachte wordt aangehouden mogen de voorwerpen die hij met zich voert, in beslag worden genomen C. In alle gevallen, waarin voorwerpen vatbaar zijn voor inbeslagneming, mogen deze door elke opsporingsambtenaar in beslag worden genomen D. In alle gevallen zijn voorwerpen, die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, vatbaar voor inbeslagneming 44) Wie heeft de leiding van het gerechtelijk vooronderzoek? A. kantonrechter B. officier van justitie C. president van de rechtbank D. rechter-commissaris 45) Onder inbeslagneming van enig voorwerp verstaat het Wetboek van Strafvordering het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van ...... A. de strafvordering B. de verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer C. het aan de dag brengen van de waarheid D. het onderzoek ter terechtzitting 46) Een algemeen opsporingsambtenaar (geen hulpofficier van justitie) ziet dat een man een vrouw met een stuk hout op straat mishandelt. De vrouw loopt een gebroken arm op. De opsporingsambtenaar is bevoegd de verdachte aan te houden omdat ...... A. aanhouding van de verdachte een voorwaarde is om het stuk hout in beslag te nemen B. er sprake is van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit C. het een misdrijf betreft, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten D. het optreden van de hulpofficier van justitie niet kan worden afgewacht 47) In een grootwinkelbedrijf wordt een verdachte aangehouden voor winkeldiefstal. De politie wordt in kennis gesteld en de verdachte wordt zolang in het magazijn vastgehouden. Pas na een uur arriveert de politie en brengt de verdachte over naar het politiebureau ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie. In dit geval begint de termijn ophouden voor onderzoek op het moment dat de ...... A. opsporingsambtenaren de verdachte overnemen B. verdachte aankomt op het politiebureau C. verdachte wordt aangehouden D. verdachte wordt voorgeleid 48) Het voorbereidend onderzoek bestaat uit het ...... A. onderzoek dat de politie verricht, het zogenaamde politie-onderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek B. onderzoek van de opsporingsambtenaar en het onderzoek van de officier van justitie C. opsporingsonderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek D. opsporingsonderzoek en het onderzoek van de hulpofficier van justitie 49) Een moeder en haar 10-jarige dochter bezoeken een speelgoedwinkel. De dochter ziet een mooie pop en zegt tegen haar moeder, dat ze die wil hebben. De moeder zegt tegen haar dochter, dat ze de pop mag pakken en goed onder haar jas moet verbergen en dat ze hem dan mag hebben. Vervolgens rekent ze bij de kassa iets anders af, maar niet de pop. Moeder en dochter verlaten de speelgoedwinkel met de onbetaalde pop. Wie is ter zake enig strafbaar feit vervolgbaar? Moeder Dochter A. ja ja B. ja nee C. nee ja D. nee nee 50) Een buitengewoon opsporingambtenaar ziet dat een man een overtreding begaat. Hij houdt de verdachte staande en vraagt hem naar zijn identiteitsgegevens en zijn sociaal-fiscaal nummer (sofi-nummer). De verdachte geeft alle gegevens op. Wat mag de opsporingsambtenaar met het sofi-nummer doen? A. Hij mag het sofi-nummer in het proces-verbaal vermelden B. Hij mag het sofi-nummer gebruiken voor raadpleging van de gemeentelijke basisadministratrie persoonsgegevens ter verificatie van de identiteit van de verdachte; na verkrijging van het A-nummer dient hij het sofi-nummer te vernietigen. C. Hij mag het sofi-nummer gebruiken voor raadpleging van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ter verificatie van de identiteit van de verdachte; na gebruik dient het sofi-nummer te worden opgeslagen in het sofi-nummer-register D. Hij mag het sofi-nummer gebruiken voor raadpleging van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ter verificatie van de identiteit van de verdachte; zowel het sofi-nummer als het door middel hiervan verkregen A-nummer moeten in het proces-verbaal vermeld worden