% 4: BOA Buitengewoon Opsporingsambtenaar examen vragen 1) Een verdachte wordt door een algemeen opsporingsambtenaar aangehouden naar aanleiding van een door hem gepleegde winkeldiefstal. De opsporingsambtenaar, niet zijnde een hulpofficier van justitie, wil hem aan de kleding onderzoeken en geeft de verdachte het bevel zijn jaszakken leeg te halen. Moet de verdachte aan dit bevel voldoen? a) Ja b) Ja, maar alleen als het bevel door een hulpofficier van justitie is gegeven c) Nee d) Nee, alleen als hij in verzekering is gesteld 2) Moet een getuige van een misdrijf, die door een bevoegde opsporingsambtenaar naar zijn identiteitsgegevens wordt gevraagd, een juiste naam opgeven? a) Ja, omdat een opsporingsambtenaar in dat geval als bevoegd gezag wordt aangemerkt b) Ja, op voorwaarde dat de getuige daarna door de opsporingsambtenaar wordt verhoord c) Nee, hoewel een opsporingsambtenaar wel de bevoegdheid heeft om een getuige staande te houden d) Nee, omdat het Wetboek van Strafvordering aan een opsporingsambtenaar geen uitdrukkelijke bevoegdheid geeft om een getuige naar zijn naam te vragen 3) Wat regelt het materiële strafrecht? a) De procedure die gevolgd moet worden om te komen tot een strafoplegging b) De verhouding tussen de burger en de overheid nadat een strafbaar feit is begaan c) Welke gegevens er nodig zijn om met succes een proces-verbaal op te kunnen maken d) Wie en wat strafbaar is en de strafmaat 4) De strafwetgeving kent een aantal algemene strafuitsluitingsgronden. Waar staan deze vermeld? a) Algemene maatregelen van bestuur b) Wetboek van Strafrecht c) Grondwet d) Wetboek van Strafvordering 5) Welke bevoegdheid komt aan een burger toe? a) De verdachte aanhouden bij ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad b) De verdachte aanhouden buiten het geval van ontdekking op heterdaad, maar alleen voor feiten waarop voorlopige hechtenis is toegelaten c) De verdachte staande houden, bij zowel een misdrijf en een overtreding d) De verdachte staande houden, maar alleen bij ontdekking op heterdaad van een misdrijf 6) Welke bewering is het meest juist met betrekking tot het begrip strafvordering? a) Zij omvat de gehele procedure in strafzaken b) Zij vangt aan bij het opsporingsonderzoek en eindigt bij de uitspraak van de rechter c) Zij vangt aan zodra de officier van justitie besluit tot vervolging van de verdachte over te gaan d) Zij vangt aan zodra de officier van justitie een rechter in de zaak betrekt 7) I. Een opsporingsambtenaar moet de aangehouden verdachte zelf voorgeleiden voor de hulpofficier van justitie. II. De opsporingsambtenaar, die de verdachte heeft geleid voor de hulpofficier van justitie, moet zelf een nader verhoor van de verdachte doen. a) I en II zijn juist b) Alleen I is juist c) Alleen II is juist d) I en II zijn niet juist 8) Elke buitengewoon opsporingsambtenaar moet beschikken over een ...... a) akte van opsporingsbevoegdheid b) politiediploma c) titel van beëdiging d) titel van opsporingsbevoegdheid 9) Is een officier van justitie belast met de opsporing van strafbare feiten? a) Ja, dat staat in het Wetboek vanStrafvordering b) Ja, maar alleen als de officier van justitie de strafbare feiten persoonlijk opspoort of persoonlijk leiding geeft aan de opsporing c) Nee, hij is alleen belast met de vervolging van strafbare feiten d) Nee, maar wel met de handhaving van de wetgeving 10) Aan welke wettelijke eisen moet een proces-verbaal voldoen ingevolge de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering? a) De redenen van wetenschap en de naam van de opsporingsambtenaar inhouden, zijn gedagtekend b) Opgemaakt op ambtseed, de personalia van de verdachte inhouden, omschrijving van het strafbaar feit c) Redenen van wetenschap en de naam van de opsporingsambtenaar inhouden, zijn ondertekend d) Zo spoedig mogelijk opgemaakt, redenen van wetenschap inhouden, persoonlijk opgemaakt 11) Als buitengewoon opsporingsambtenaar moet u, ter aanhouding van een verdachte, naar een onderverhuurde kamer toe in een woning. Om daar te kunnen komen, moet u door een woning heen. Waar heeft u een machtiging tot binnentreden voor nodig als u de toegang wordt geweigerd? woning kamer a) ja ja b) ja nee c) nee ja d) nee nee 12) Hij, die de verdachte aanhoudt of staande houdt, is op grond van artikel 95 WvSr bevoegd ...... a) daartoe alle plaatsen te betreden met inachtneming van de bepalingen van de Algemene wet op het binnentreden b) de verdachte aan de kleding te onderzoeken, mits er ernstige bezwaren tegen hem bestaan c) de verdachte over te brengen naar een plaats van verhoor teneinde de verdachte te geleiden voor een hulpofficier van justitie d) de voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, die de verdachte met zich voert in beslag te nemen 13) Een algemeen opsporingsambtenaar betrapt een winkeldief op heterdaad. Hij houdt de verdachte aan en stelt een onderzoek aan de kleding in ter inbeslagneming van voorwerpen. Hij onderzoekt daarbij ook een tas die de verdachte bij zich had. Mag de tas in het kader van het onderzoek aan de kleding worden onderzocht? a) Ja, want het betreft een voorwerp dat de verdachte bij zich draagt of met zich voert b) Ja, want het betreft hier een misdrijf c) Nee, de tas valt niet onder het onderzoek aan de kleding d) Nee, want de (hulp)officier van justitie bepaalt of de verdachte aan de kleding wordt onderzocht 14) Wie is ingevolge artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering bevoegd een verdachte naar zijn identiteitsgegevens te vragen en hem daartoe staande te houden? a) Een burger, maar alleen als het optreden van een opsporingsambtenaar niet kan worden afgewacht b) Een burger ingeval van ontdekking van een misdrijf op heterdaad c) Een opsporingsambtenaar, in geval van ontdekking op heterdaad; buiten dat geval alleen als het optreden van een hulpofficier van justitie niet kan worden afgewacht d) Een opsporingsambtenaar, zowel in geval van ontdekking op heterdaad als buiten dat geval 15) I. Het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek maken deel uit van het voorbereidend onderzoek. II. Het onderzoek ter terechtzitting wordt beschouwd als het belangrijkste onderdeel van het gerechtelijk vooronderzoek. a) I en II zijn juist b) Alleen I is juist c) Alleen II is juist d) I en II zijn niet juist 16) De wetgevende macht in ons land berust bij de ...... a) regering b) regering en de Raad van State c) regering en de Staten-Generaal d) regering en de Tweede Kamer 17) Mag een buitengewoon opsporingsambtenaar een persoon die niet als verdachte kan worden aangemerkt, een veiligheidsfouillering aan de kleding uitvoering? a) Ja, indien dit in zijn akte van beëdiging staat vermeld b) Ja, indien naar de inschatting van de opsporingsambtenaar daartoe noodzakelijkheid bestaat c) Nee, want de bevoegdheid tot het toepassen van een veiligheidsfouillering is voorbehouden aan de ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. d) Nee, want de veiligheidsfouillering is een strafvorderlijke bevoegdheid. 18) Een bakker doet bij een buitengewoon opsporingsambtenaar van de sociale dienst aangifte van bijstandsfraude, gepleegd door zijn buren. De bakker verzoekt de opsporingsambtenaar proces-verbaal op te willen maken en belooft in ruil daarvoor een taart. De opsporingsambtenaar onderzoekt de aangifte en maakt een proces-verbaal op. Vervolgens brengt de bakker de taart. De taart wordt door de opsporingsambtenaar aangenomen. Wie is (zijn) strafbaar wegens omkoping? de bakker de opsporingsambtenaar a) niet strafbaar niet strafbaar b) niet strafbaar strafbaar c) strafbaar niet strafbaar d) strafbaar strafbaar 19) Tegen een buitengewoon opsporingsambtenaar wordt tijdens de uitoefening van zijn opsporingstaak het misdrijf wederspannigheid, ex artikel 180 Wetboek van Strafrecht, gepleegd. Hij is niet voor de opsporing van dit misdrijf aangewezen. Welke bewering is in dit geval juist? a) Hij is bevoegd de verdachte aan te houden en aan de kleding te onderzoeken b) Hij is bevoegd de verdachte terzake dit misdrijf staande te houden c) Hij heeft dezelfde bevoegdheden als elke burger en kan de verdachte aanhouden d) Hij kan als opsporingsambtenaar een proces-verbaal opmaken met volledige bewijskracht 20) Een burger treft op een parkeerterrein in een bos zijn opengebroken auto aan. Zijn fotocamera is uit de auto gestolen. Op dat moment komt er een boswachter aan, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is. De burger wil bij deze boswachter aangifte doen terzake diefstal. Is de boswachter bevoegd de aangifte op te nemen? a) Ja, het strafbare feit is binnen zijn werkgebied gepleegd b) Ja, iedere opsporingsambtenaar is bevoegd en verplicht de aangifte op te nemen c) Nee, de boswachter heeft het feit niet op heterdaad ontdekt d) Nee, tenzij hij door vermelding van het betreffende feit in zijn akte van beëdiging opsporingsbevoegdheid voor het misdrijf diefstal heeft gekregen 21) I. Opzetmisdrijven komen in het Wetboek van Strafrecht niet voor. II. Poging tot overtreding is in beginsel niet strafbaar. a) I en II zijn juist b) Alleen I is juist c) Alleen II is juist d) I en II zijn onjuist 22) Een schip vergaat en twee drenkelingen klampen zich vast aan een stuk hout. Omdat het stuk hout te licht is om beide mannen boven water te houden, duwt de ene man de andere van het stuk hout af, ten gevolge waarvan deze verdrinkt. Op welke strafuitsluitingsgrond kan de man zich beroepen? a) noodweer b) noodweer-exces c) ontoerekeningsvatbaarheid d) overmacht 23) Twee mannen, E en F, zijn van plan een taxichauffeur, die weigerde hen te vervoeren, te mishandelen. E pakt de chauffeur vast en F geeft de chauffeur enkele rake klappen en breekt daarbij diens neus. Welke omschrijving uit de titel "Deelneming aan strafbare feiten" van het Wetboek van Strafrecht is op E van toepassing? a) doen plegen b) medeplegen c) medeplichtigheid d) plegen 24) Artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt: "Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze ..... voorzien." Welke woorden ontbreken in deze zin? a) bij de wet b) door de rechter c) in de Grondwet d) in het strafrecht 25) Een buitengewoon opsporingsambtenaar ontdekt een strafbaar feit op heterdaad en begint het opsporingsonderzoek. Na verloop van twee uren krijgt hij trek in een kop koffie en houdt een half uur pauze. Daarna gaat hij verder met het onderzoek. Is er nog sprake van ontdekking op heterdaad van het betreffende strafbare feit? a) Ja, de heterdaadsituatie blijft 30 uren bestaan b) Ja, een onderbreking van een uur is toegestaan c) Nee, het onderzoek moet onafgebroken plaatsvinden d) Nee, heterdaad blijft slechts één uur na het plegen van het feit bestaan 26) Als een strafbaar feit in twee strafbepalingen valt, die zich verhouden als een bijzondere tot een algemene strafbepaling, dan zal de rechter ...... hanteren. a) beide strafbepalingen b) de algemene strafbepaling c) de bijzondere strafbepaling d) naar eigen keuze een strafbepaling 27) Wie kan op grond van de Algemene wet op het binnentreden geen schriftelijke machtiging verstrekken tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner? a) advocaat-generaal bij het gerechtshof b) hulpofficier van justitie c) kantonrechter d) officier van justitie 28) Een buitengewoon opsporingsambtenaar ziet op heterdaad, dat een verdachte een overtreding pleegt. Hij heeft ten aanzien van die overtreding opsporingsbevoegdheid. Hij loopt de verdachte achterna en ziet dat de verdachte een kerkgebouw inloopt, waar op dat moment een kerkdienst gaande is. Is de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd de kerk te betreden teneinde de verdachte aan te houden? a) Ja, als hij in het bezit is van een schriftelijke machtiging tot binnentreden b) Ja, het betreft een strafbaar feit, dat op heterdaad ontdekt is c) Nee, het betreft slechts een overtreding en de bevoegdheid bestaat alleen bij een misdrijf d) Nee, kerkgebouwen mogen niet worden betreden 29) Jan vraagt Piet een auto voor hem te stelen. Klaas is bereid voor F500- de deur van de garage waarin hij werkt, open te laten staan om Piet in de gelegenheid te stellen de diefstal te plegen. Piet geeft Klaas F500- en steelt de auto. Wie kunnen in deze situatie als deelnemers aan een strafbaar feit worden gestraft? Jan Piet Klaas a) ja ja ja b) ja ja nee c) nee ja ja d) nee ja nee 30) I. Een opsporingsambtenaar, die bij het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, vergezeld wordt door een hulpofficier van justitie, heeft geen schriftelijke machtiging nodig. II. In bepaalde gevallen kan een opsporingsambtenaar, die met een schriftelijke machtiging een woning betreedt zonder toestemming van de bewoner, zich laten vergezellen door een deskundige a) I en II zijn juist b) Alleen I is juist c) Alleen II is juist d) I en II zijn niet juist 31) Een algemeen opsporingsambtenaar krijgt een anonieme tip, dat er gestolen voorwerpen in een bepaalde woning aanwezig zijn. Hij gaat naar de woning toe en ziet door het raam dat enkele van de ontvreemde voorwerpen in de woonkamer staan. Er is echter niemand thuis en met een loper opent hij de deur en neemt de voor de hand aangetroffen gestolen voorwerpen in beslag. Welke van de bewering met betrekking tot de strafbaarheid van de opsporingsambtenaar is juist? a) Hij is niet strafbaar, omdat hij de bevoegdheid heeft om voor inbeslagneming vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden b) Hij is niet strafbaar, omdat hij niet naar de voorwerpen heeft gezocht c) Hij is strafbaar voor het misdrijf ambtelijke huisvredebreuk (art. 370 WvSr) d) Hij is strafbaar voor het misdrijf huisvredebreuk (art. 138 WvSr) 32) Een opsporingsambtenaar wordt naar een café gestuurd, waar zojuist een zakkenroller actief is geweest. In het café ziet de opsporingsambtenaar een man zitten, waarvan hij weet dat hij meerdere malen voor zakkenrollen is aangehouden en reeds 3 maal is veroordeeld voor dat feit. Kan de opsporingsambtenaar deze man als verdachte aanmerken in deze nieuwe zaak? a) Ja, de vervolging van het strafbare feit is, gebaseerd op feiten of omstandigheden, door de aanwezigheid van de man aangevangen b) Ja, er is sprake van een redelijk vermoeden van schuld gebaseerd op feiten of omstandigheden c) Nee, het vermoeden dat hij een strafbaar feit heeft begaan is niet gebaseerd op feiten of omstandigheden d) Nee, ondanks een redelijk vermoeden van schuld, dat hij het strafbare feit heeft gepleegd 33) Als iemand zich op verboden grond bevindt, overtreedt hij artikel 461 van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht. Welke rechter behandelt deze overtreding van het Wetboek van Strafrecht? a) meervoudige kamer van de rechtbank b) gerechtshof c) kantonrechter d) politierechter 34) Wat wordt onder het begrip schuld in ruime zin begrepen? a) schuld in enge zin en opzet b) schuld in enge zin en wederrechtelijkheid c) schuld zonder opzet d) schuld, opzet en wederrechtelijkheid 35) Wat verstaat het Wetboek van Strafvordering onder opsporingsambtenaren? a) alle ambtenaren belast met de handhaving van de rechtsorde b) alle ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten c) alle personen belast met de handhaving van de rechtsorde d) alle personen belast met de opsporing van het strafbare feit 36) Wanneer is een opsporingsambtenaar bevoegd buiten het geval van ontdekking op heterdaad een verdachte staande te houden? a) alleen voor het opgeven van valse identiteitsgegevens b) alleen voor het opgeven van valse identiteitsgegevens en voor feiten waarop voorlopige hechtenis is toegelaten c) alleen voor feiten waarop voorlopige hechtenis is toegelaten d) voor alle strafbare feiten 37) Wie is in principe bevoegd om een verdachte buiten het geval van ontdekking op heterdaad aan te houden? a) de hulpofficier van justitie als tegen de verdachte ernstige bezwaren bestaan b) de officier van justitie als op het feit voorlopige hechtenis is toegelaten en voor het opgeven van valse identiteitsgegevens c) de opsporingsambtenaar als het een misdrijf betreft d) de opsporingsambtenaar als op het feit voorlopige hechtenis is toegelaten 38) Wat moet worden verstaan onder het toezicht op de buitengewoon opsporingsambtenaar? a) het toezicht op de opsporingsactiviteiten van de buitengewoon opsporingsambtenaar b) het toezicht op het functioneren van de buitengewoon opsporingsambtenaar c) noch A, noch B d) zowel A, als B 39) Wie is geen algemeen opsporingsambtenaar? a) bijzondere ambtenaar van politie b) officier van justitie c) rechter-commissaris d) vrijwillige ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak 40) Wat gaat, ingevolge artikel 132 Wetboek van Strafvordering, aan de behandeling ter terechtzitting vooraf? a) opsporingsonderzoek b) strafrechtelijk financieel onderzoek c) strafrechtelijk vooronderzoek d) voorbereidend onderzoek 41) Bij medeplichtigheid aan een misdrijf is er sprake van het verrichten van ...... a) gelegenheids- of voorbereidingshandelingen b) ondersteunings- of gelegenheidshandelingen c) voorbereidings- of ondersteuningshandelingen d) voorbereidings- of uitvoeringshandelingen 42) Wie is bevoegd tot het staande houden van een verdachte? a) iedereen b) iedereen, die het strafbare feit zag plegen c) iedere opsporingsambtenaar d) iedere opsporingsambtenaar, die het strafbare feit zag plegen 43) I. Bij ontdekking op heterdaad van een overtreding mag de opsporingsambtenaar ter inbeslagneming geen plaatsen betreden. II. Een buitengewoon opsporingsambtenaar mag alleen bij ontdekking op heterdaad van een misdrijf ex artikel 67, lid 1 WvSv in beslag nemen. a) I en II zijn juist b) Alleen I is juist c) Alleen II is juist d) I en II zijn niet juist 44) I. Een bevel tot uitlevering van een in beslag te nemen voorwerp mag op grond van het Wetboek van Strafvordering niet aan de verdachte gegeven worden. II. Een bevel tot uitlevering van een in beslag te nemen voorwerp mag de opsporingsambtenaar bij elk misdrijf geven a) I en II zijn juist b) Alleen I is juist c) Alleen II is juist d) I en II zijn niet juist 45) I. Een akte van opsporingsbevoegdheid kan worden ingetrokken op aanvraag van de werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar. II. Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar in burgerkleding zijn taak uitoefent, dient hij een legitimatiebewijs bij zich te dragen. a) I en II zijn juist b) Alleen I is juist c) Alleen II is juist d) I en II zijn niet juist 46) De ......... is uiteindelijk verantwoordelijk voor de wijze waarop het openbaar ministerie haar taak verricht. a) minister van Justitie b) regering c) hoofdofficier van justitie d) procureur-generaal bij de Hoge Raad 47) Wat bepaalt of Nederland een staat is? a) eigen soeverein gezag b) grondgebied c) volk d) A, B en C zijn juist 48) Wie dient zich te verantwoorden als onze koningin een bevriend staatshoofd beledigt? a) de koningin b) de minister c) de Staten-Generaal d) niemand, omdat de koningin onschendbaar is 49) Een Zweedse toerist mishandelt een medepassagier in een Fins vliegtuig, dat boven de Veluwe vliegt. Hij kan voor dit feit in Nederland worden vervolgd op grond van het ...... a) fairplaybeginsel b) legaliteitsbeginsel c) proportionaliteitsbeginsel d) territorialiteitsbeginsel 50) Een postbode fietst door het park en ziet dat achter een bosje een man een klein meisje aanrandt. De postbode aarzelt geen moment, grijpt de man en slaat hem neer. Uitzinnig van woede blijft de postbode door slaan, waardoor de man zwaar gewond raakt. De postbode gaat vrijuit, als een beroep op ...... door de rechter aanvaard wordt. a) noodweer b) noodweer-exces c) ontoerekeningsvatbaarheid d) overmacht