% Fysiologie Ademhaling Vragen 1) De maximale hoeveelheid lucht die iemand kan uitademen na een maximale inademing heet: a. het ademvolume b. de vitale capaciteit c. het longvermogen d. het longresidu 2) De beste methode om de ademcapaciteit van een sportman te meten is: a. meting van de vitale capaciteit b. meting van de 1 seconde waarde van Tiffenau c. meting van het inspiratoir reserve volume d. meting van het expiratoir reserve volume 3) 1. Bij uitademing gaat het diafragma omhoog. 2. Bij uitademing wordt de anatomische dode ruimte kleiner. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 4) De uitademingslucht tijdens inspanning bevat ongeveer: a. 79% zuurstof b. 16% zuurstof c. 10% zuurstof d. 21% zuurstof 5) De vitale capaciteit is: a. het maximale luchtvolume met één adembeweging te verplaatsen b. het maximale verplaatsbare bloedvolume in de longcirculatie c. de totale kracht van de in- en uitademingsspieren d. de totale oppervlakte van alle longblaasjes tijdens inademing 6) Hoeveel lucht wordt gemiddeld in rust tijdens een normale ademhaling verplaatst: a. 100 mI b. 250 mI c. 500 mI d. 1000 mI 7) Bij inademing gebeurt het volgende: a. het diafragma komt omhoog b. de lucht, die in de anatomische dode ruimte zit, wordt het eerst de longen ingezogen c. lucht met 21% zuurstof komt in de longblaasjes d. de fysiologische dode ruimte wordt groter 8) Voor de vitale capaciteit geldt het volgende, zij: a. bedraagt bij mannen gemiddeld 3 liter b. is inspiratoir reserve volume + expiratoir reserve volume c. is de hoeveelheid lucht die men na een zo diep mogelijke inspiratie maximaal kan uitblazen d. wordt bij maximale inspanning bij iedere ademhaling verplaatst 9) De linker long heeft ten opzichte van de rechter long: a. meer alveoli b. meer kwabben c. meer zuurstof d. minder kwabben 10) De alveolaire ademhaling vindt plaats: a. in de fysiologische dode ruimte b. in de anatomische dode ruimte c. in rust voornamelijk in de longtoppen d. in de longblaasjes 11) De gas wisseling vindt plaats: a. in de luchtpijpvertakkingen b. tijdens de inademing, niet tijdens de uitademing c. in de bronchiën d. tijdens de inademing en tijdens de uitademing 12) 1. Het zuurstofpercentage in de anatomische dode ruimte is altijd hoger dan in de alveoli. 2. Bij hyperventilatie moet men er zorg voor dragen dat de persoon in kwestie zijn eigen uitademingslucht weer inademt: a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 13) Voor het ademminuutvolume geldt het volgende: a. neemt aanvankelijk evenredig toe met de zwaarte van de arbeid b. is de ademhalingsfrequentie maal de alveolaire ventilatie c. bedraagt in rust 10 liter of meer d. is de ademhalingsfrequentie maal het volume 14) Bij inademing treedt de volgende verandering op: a. het middenrif stijgt b. de VO2 max. wordt bereikt c. het volume van de longen wordt groter d. de fysiologische dode ruimte neemt af 15) Het zuurstofgehalte van het bloed hangt af van: a. de verhouding tussen het hartvolume en de longventilatie b. de stroomsnelheid van het bloed door de longcapillairen c. het haemoglobinegehalte van het bloed d. alle bovenstaande antwoorden zijn juist 16) Wanneer men iemand een volle teug zuivere zuurstof laat inademen en daarna langzaam laat uitademen kan men stellen dat de: a. eerste 150 cc van de expiratielucht vrijwel uitsluitend zuurstof bevat b. stikstofconcentratie in de expiratielucht geleidelijk daalt c. stikstofconcentratie in de expiratielucht geleidelijk stijgt tot 80% d. eerste 150 cc van de expiratielucht 4% kooldioxide bevat 17) Bij het hyperventilatiesyndroom treedt bewusteloosheid op wanneer de: a. hersendoorbloeding afneemt b. arteriële zuurstofspanning daalt c. ademhaling stopt d. koolzuur in hoge concentratie narcotiserend werkt 18) Haemoglobine laat in de weefsels makkelijk zuurstoflos dankzij: a. de hogere temperatuur, die de dissociatie bevordert b. de in de weefsels heersende lage zuurgraad c. het lage koolzuurgehalte in de erythrocyten d. het lage koolzuurgehalte in de longen 19) De uitwisseling van zuurstof en koolzuur tussen het capillaire bloed en het weefselvocht neemt toe ten gevolge van: a. toename van de stroomsnelheid van het bloed in de capillairen b. verlaging van de gemiddelde bloeddruk c. verhoogd zuurstofverbruik in de weefsels d. verlaging van de kooldioxideconcentratie in de weefsels 20) Bij ademhaling gebeurt het volgende, de: a. ademhalingsspieren contraheren, diafragma komt omhoog b. ademhalingsspieren ontspannen, diafragma daalt c. borstkas zet uit, de longen gaan mee d. longen zetten uit, de borstkas gaat mee 21) Tengevolge van de negatieve intrathoracale druk treedt het volgende op: a. er kan een longcollaps optreden b. de expiratie vindt slechts actief plaats c. de instroming van lucht wordt bevorderd d. de veneuze circulatie wordt bevorderd 22) Onder het residu verstaan we de lucht die: a. na een normale inspiratie nog extra kan worden ingeademd b. na een normale expiratie nog extra kan worden uitgeademd c. in de longen achterblijft na maximale expiratie d. zich in de dode ruimte bevindt 23) De anatomisch dode ruimte wordt gedefinieerd als: a. dat gedeelte van de ademhalingswegen dat niet geschikt is om deel te nemen aan het gaswisselingsproces b. dat gedeelte waar het respiratoir epitheel in de longen beschadigd is c. het gedeelte van de borstholte dat niet met longweefsel gevuld is d. het gedeelte van de longen waar de ademlucht niet ververst wordt 24) Bij de ademhaling in rust is de belangrijkste factor voor de expiratie: a. de elasticiteit van het longweefsel b. het feit dat de interpleurale druk negatief is c. contractie van de huidwandspieren d. de elasticiteit van het ribkraakbeen 25) 1. Bij inspiratie wordt de thorax o.a. in zijwaartse richting vergroot. 2. Bij expiratie wordt de thorax o.a. in voorachterwaartse richting verkleind. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 26) 1. De dode ruimte bevat na een normale expiratie lucht die afkomstig is uit de alveoli. 2. De dode ruimte bevat na een normale inspiratie "buitenlucht". a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 27) Door hyperventilatie daalt de: a. alveolaire zuurstofspanning b. arteriële koolzuurspanning c. pH van het arteriële bloed d. cerebrovasculaire weerstand 28) De gaswisseling vindt plaats in de: a. luchtpijp b. luchtpijptakken c. alveoli d. zowel a, b en c zijn juist 29) De samenstelling van de dampkringlucht bestaat uit: a. 80% stikstof, 20% zuurstof, 0,03% koolzuurgas b. 90% stikstof, 15% zuurstof, 5% koolzuurgas c. 85% stikstof, 8% zuurstof, 7% koolzuurgas d. 20% stikstof, 80% zuurstof, geen koolzuurgas 30) De ademfrequentie in rust bij volwassenen bedraagt per minuut: a. 20 tot 22 adembewegingen b. 14 tot 16 adembewegingen c. 12 tot 14 adembewegingen d. 8 tot 6 adembewegingen 31) De zuurstof wordt gebonden aan: a. de leukocyten b. de thrombocyten c. het bloedplasma d. de haemoglobine 32) Het principe van de ademhaling berust op: a. volumevergroting en volumeverkleining b. de werking van de buikwandspieren c. de druk van de buitenlucht d. zuurstofgebrek 33) Prikkels die de ademhaling aanzetten ontstaan door: a. gebrek aan zuurstof b. zelfwerking van de ademhalingsspieren c. verhoging van het koolzuurgehalte in het bloed d. verhoging van het zuurstofgehalte in het bloed 34) Onder luchtresidu wordt de lucht verstaan, die: a. na de diepste uitademing achterblijft in de longen b. na de diepste inademing nog aangezogen kan worden c. tijdens een oppervlakkige ademhaling wordt opgenomen d. uitsluitend bij een grote lichamelijke inspanning wordt benut 35) De longen worden omgeven door: a. een dubbelwandig vlies b. alleen een borstvlies c. alleen een longvlies d. uitsluitend ribben 36) De lucht die men na een oppervlakkige uitademing nog kan uitpersen, is genaamd: a. inspiratoir reserve volume b. expiratoir reserve volume c. vitale capaciteit d. residu volume 37) Het ademhalingscentrum bevindt zich in: a. het cerebrum b. het cerebellum c. de medulla oblongata d. de hypofyse 38) Tussen de pleurabladen bevindt zich: a. wat vocht b. wat lucht c. in het geheel niets d. wat vocht en lucht 39) Bij een normale inspiratie functioneren de volgende spieren: a. mm.intercostales externi, mm.scaleni, m.sternocleidomastoideus, spieren van de schoudergordel en de m.pectoralis major b. diafragma, mm.intercostales intemi c. diafragma, mm.intercostales extemi d. diafragma, m.inspirator obliquus externus 40) De kleinste vertakkingen van de luchtwegen monden uit in de: a. bronchioli b. bronchi c. bronchiaalboompjes d. alveoli 41) Een pneumothorax is een: a. collaberen van de long door het wegvallen van de negatieve druk tussen de 2 longvliezen b. beschadiging van het longweefsel c. onvoldoende werking van de alveoli d. onvoldoende bloedvoorziening van de bronchiaalboom 42) De ademhaling wordt gereguleerd door de: a. zuurstofspanning in het bloed b. zuurstofspanning in het weefselvocht c. kooldioxidespanning in het bloed d. kooldioxide spanning in het weefselvocht 43) De inademing vangt aan met: a. contractie van het diafragma b. contractie van een willekeurige skeletspier c. een gecombineerde contractie van verschillende schouderspieren d. relaxtie van de buikspieren 44) Welke van onderstaande factoren heeft nauwelijks invloed op de uitademing, de: a. koolzuurprikkel uit het bloed b. elastische vezels van de long c. buikspieren d. zwaartekracht 45) 1. De ademhaling komt tot stand door een volumevergroting van de borstkas die de longen meetrekt. 2. Aan het einde van de normale uitademing is het longweefsel niet meer gerekt. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 46) Oxyhaemoglobine vindt men in grote hoeveelheden in de: a. longslagaders b. poortader c. longaders d. leverader 47) De maximale hoeveelheid lucht die men in één keer kan verplaatsen, is: a. de longinhoud b. de vitale capaciteit c. de complementaire lucht d. het luchtresidu 48) Hoe noemt men een toestand van ademstilstand: a. apnoe b. dyspnoe c. ademverlamming d. spiro-ectomie 49) Snellere en/of diepere ademhaling komt aanvankelijk tot stand omdat in het bloed het: a. koolzuurgehalte (CO2) afneemt b. stikstofgehalte (N2) toeneemt c. koolzuurgehalte (CO2) toeneemt d. zuurstofgehalte (O2) toeneemt 50) Bij de inademing trekt het diafragma zich samen, waardoor het volgende plaatsvindt: a. de longen vallen samen b. de borstholte wordt verkleind c. de uitademing komt tot stand d. de borstholte wordt vergroot en de buikholte verkleind 51) Als het middenrif contraheert en de buikwand meegeeft kan men het volgende waarnemen, een: a. inademing b. uitademing c. spanningsverhoging van de buik d. activiteit van de overige inademingsspieren 52) Oxyhaemoglobine wordt gevormd in: a. het hart b. de longen c. de spieren bij arbeid d. in de cellen door oxidatie 53) De bouw van de longen is als volgt, de: a. rechter long bestaat uit drie kwabben, de linker uit twee b. linker long bestaat uit drie kwabben, de rechter uit twee c. linker en rechter long bestaan beide uit drie kwabben d. longen bestaan uit twee kwabben 54) Het ademminuutvolume (AMV) van een normale man van 25 jaar, in rust bedraagt ongeveer: a. 3 x 500 cc b. 12 x 500 cc c. 30 x 500 cc d. 120 x 500 cc 55) Het ademminuutvolume (AMV) wordt gedefinieerd als het volume dat: a. per inademing wordt ingeademd b. na een maximale inademing kan worden uitgeademd c. per minuut wordt ingeademd d. na een normale inademing gedurende een minuut nog extra kan worden ingeademd 56) Het expiratoir reserve volume is gedefinieerd als de hoeveelheid lucht die men na een: a. normale uitademing maximaal kan inademen b. maximale uitademing kan inademen c. normale uitademing nog kan uitademen d. een maximale inademing kan uitademen 57) Voordat de inademingslucht in de alveoli komt, heeft/hebben het/de volgende proces(sen) in ieder geval plaats gehad: a. uitwisseling van gassen b. passage door de farnyx, larynx en trachea c. passage door de mondholte d. hoesten om vuildeeltjes te verwijderen 58) Hoeveel bedraagt het zuurstofgehalte van de lucht bij uitademing: a. 10% b. 16% c. 25% d. 80% 59) Onder uitwendige ademhaling verstaan we de: a. longventilatie b. opname van zuurstof via de huid c. opname van zuurstof in de weefsels d. uitwisseling van zuurstof en koolzuur tussen longblaasjes en kleine bloedsomloop 60) 1. Normaal, in rust, is de inademing een actief proces en de uitademing een passief proces. 2. De pO2 in de alveoli is altijd lager dan in de buitenlucht. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 61) Wat gebeurt er gedurende de inspiratie: a. de alveolaire ruimte wordt vergroot b. de buikspieren contraheren c. de mm.intercostali externi verslappen d. het diafragma wordt in de rusttoestand teruggeduwd 62) Hyperventilatie leidt tot bewusteloosheid, omdat de: a. ademhaling stopt door een hoge pCO2 b. bloeddruk stijgt c. pO2 in de hersenen daalt d. veneuze terugstroom sterk afneemt 63) Gedurende de inspiratie: a. contraheert het diafragma b. neemt de intrapulmonale druk toe c. neemt het volume in de alveolaire ruimte af d. veroorzaken de longen een verplaatsing van de thorax 64) Hoe groot is in rust de hoeveelheid lucht die een gezonde volwassene met een lichaamsgewicht van 70 kg. in- of uitademt: a. 300 mI b. 500 mI c. 700 mI d. 900 mI 65) 1. Om een lagere ademweerstand te verkrijgen is door de neus ademen beter dan door de mond ademen. 2. Bij een zelfde ademminuutvolume is vaak oppervlakkig ademen beter dan langzaam en diep, omdat daardoor de invloed van de dode ruimte geringer is. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 66) 1. In de adempauze na een uitademing contraheert het diafragma. 2. In rust is de uitademing bij gezonde mensen een passief proces. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 67) Het aëroob vermogen is afhankelijk van de/het: a. aanleg b. geslacht c. leeftijd d. alle bovengenoemde antwoorden zijn juist 68) 1. Door langzaam en diep ademen wordt een grotere alveolaire ventilatie bereikt dan bij snel en oppervlakkig ademen. 2. Alleen door de neus in- en uitademen tijdens een duurloop is gunstig in verband met een geringe luchtweerstand. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 69) Bij een totale longcapaciteit (= de gemiddelde vulling van de long) van 5 liter lucht, met een ademfrequentie van 10 teugen per minuut, en een ademteugvolume van 650 mI, bedraagt de alveolaire verversing per minuut ongeveer: a. 10% b. 50% c. 100% d. 130% 70) Een zwemmer met een snorkel, kan op een diepte van 1.50 meter onder het wateroppervlak onvoldoende ventileren, omdat: a. de dode ruimte te groot is b. de druk van het water op de borstkas te groot is c. de luchtweerstand in de snorkel te groot is d. door alle drie genoemde oorzaken 71) 1. Bij hyperventilatie neemt het koolzuurgehalte in het arteriële bloed af. 2. Bij stijging van het melkzuurgehalte stijgt het kooldioxidegehalte van het veneuze bloed. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 72) Na welke adembeweging bevatten de longen een hoeveelheid lucht ter grootte van het residuvolume: a. na een normale inademing b. na een normale uitademing c. na een maximale inademing d. na een maximale uitademing 73) De totale longcapaciteit is: a. de hoeveelheid lucht die maximaal uitgeademd kan worden b. de normale ademhaling plus het luchtresidu c. de reserve lucht plus de complementaire lucht d. de vitale capaciteit plus het luchtresidu 74) 1. In rust is de expiratie een actief proces. 2. Bij de uitademing neemt de zuurstofspanning in de longen toe. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 75) Het ademhalingscentrum kan beïnvloed worden door: a. prikkels vanuit de hersenen b. de koolzuurspanning van het bloed c. beïnvloeding vanuit de contraherende spieren d. alle bovengenoemde factoren 76) Wat behoort niet tot de vitale capaciteit: a. de dode ruimte b. inspiratoir reserve ruimte c. expiratoir reserve ruimte d. inspiratoire capaciteit 77) Tijdens de inademing: a. contraheert het diafragma b. neemt de intrapulmonale druk toe c. neemt het volume in de alveolaire ruimte toe d. veroorzaken de longen een verplaatsing van de thorax 78) Iemand heeft een ademfrequentie van 15 per minuut. Zijn ademvolume bedraagt 1150 cc lucht. Wat is de uiteindelijke verversing van de alveolaire ruimte: a. 11,5 liter b. 15 liter c. 17,5 liter d. 20 liter 79) Welke receptoren verzorgen de expiratie in rust: a. de chemoreceptoren die het zuurstofgehalte registreren b. de chemoreceptoren die het koolzuurgehalte registreren c. de thermoreceptoren in de bloedcirculatie d. de rekreceptoren in het longweefsel 80) Na welke ademhalingsbeweging bevatten de longen een hoeveelheid lucht ter grootte van het luchtresidu: a. na een normale inspiratie b. na een normale expiratie c. na een maximale inspiratie d. na een maximale expiratie 81) Waarvan is het luchtresidu van de longen een onderdeel: a. de vitale capaciteit b. de totale longcapaciteit c. het inspiratoir reserve volume d. het expiratoir reserve volume 82) Waardoor kan iemand zijn adem langer inhouden na een voorafgaande hyperventilatie: a. door een verlaagde zuurstofspanning in het bloed b. door een verhoogde zuurstofspanning in het bloed c. door een verlaagde koolzuurspanning in het bloed d. door een verhoogde koolzuurspanning in het bloed 83) Het verplaatsen van de lucht uit de longen bij een expiratie wordt voornamelijk verkregen door: a. het ontspannen van de buikspieren b. het ontspannen van het diafragma c. het ontspannen van de tussenribspiertjes d. de elasticiteit van het longweefsel 84) 1. In de adempauze contraheert het diafragma. 2. In rust is de expiratie een passief proces. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 85) Koolzuur wordt voor het belangrijkste deel in het bloed vervoerd: a. opgelost in het bloed b. gebonden aan de erythrocyten c. gebonden aan de thrombocyten d. gebonden aan de leukocyten 86) 1. Het zuurstof transport door het bloed neemt toe als het slagvolume toeneemt. 2. Het zuurstof transport door het bloed neemt toe als het hartminuutvolume toeneemt. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 87) De hoeveelheid zuurstof die het bloed kan transporteren is afhankelijk van: a. het hartminuutvolume b. het haemoglobinegehalte c. de partiële zuurstofspanning in de longen d. zowel a, b en c zijn juist 88) CO2 wordt in het bloed getransporteerd: a. als bicarbonaat (HCO3) b. gebonden aan haemoglobine c. opgelost in het bloed d. zowel a, b en c zijn juist 89) Door eerst te hyperventileren kan men langer de adem inhouden als gevolg van: a. een verlaagde koolzuurspanning in het bloed b. een verhoogde koolzuurspanning in het bloed c. een verlaagde zuurstofspanning in het bloed d. een verhoogde zuurstofspanning in het bloed 90) Het gevolg van een willekeurige hyperventilatie is: a. een verschuiving van de zuurgraad naar de zure kant b. een prikkeling van de chemoreceptoren c. een daling van de zuurstofspanning in de longen d. een daling van de koolzuurspanning van het bloed 91) Het luchtresidu is de hoeveelheid lucht die in de longen aanwezig is na: a. een maximale uitademing b. een maximale inademing c. een normale uitademing d. een normale inademing 92) Een gezonde volwassene van 70 kg zwaar ademt in rust per keer in en uit: a. 1000 mI b. 750 mI c. 500 mI d. 250 mI 93) Bij het inhouden van de adem ontstaat een drang tot ademhalen door: a. een laag zuurstofgehalte van het bloed b. een hoog koolzuurgehalte van het bloed c. een lage pH-waarde van het bloed d. een hoog zuurstofgehalte van het bloed