% Fysiologie Algemeen Vragen 1) Welke bewering omtrent de mitochondriën is juist: a. ze spelen een hoofdrol in de eiwitsynthese b. ze zijn de "energiefabriekjes" van de cel c. hun aantal per spiercel verandert niet ten gevolge van training d. hun omvang en membraanoppervlakte verandert niet ten gevolge van training 2) 1. Eenzelfde enzym versnelt steeds eenzelfde biochemische reactie. 2. De structuur van eenzelfde enzym in verschillende mensen is gelijk. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 3) Door langdurig overmatig zweten treden de volgende veranderingen op: a. de colloïd-osmotische druk intracellulair stijgt niet b. er kan extracellulair oedeem ontstaan c. op den duur wordt veel urine geproduceerd d. de hoeveelheid extracellulair vocht neemt af 4) Weefsels die op een relatief zwakke prikkel, na een korte tijd, specifiek reageren zijn: a. bindweefsel, zenuwweefsel en spierweefsel b. spierweefsel, botweefsel en bindweefsel c. spierweefsel, zenuwweefsel en zintuigweefsel d. zenuwweefsel, zintuigweefsel en alle epitheelweefsel 5) Het kenmerk van een orgaan is dat het: a. altijd opgebouwd is uit hetzelfde soort weefsel b. uit meerdere weefsels opgebouwd is c. uitsluitend uit spierweefsel is opgebouwd d. maar één celkern heeft 6) De vier weefselsoorten zijn: a. huidweefsel, beenweefsel, spierweefsel, zenuwweefsel b. dekweefsel, kraakbeen weefsel, spierweefsel, zintuigweefsel c. dekweefsel, steunweefsel, spierweefsel, zenuwweefsel d. spierweefsel, zenuwweefsel, botweefsel, dekweefsel 7) Welk type cellen vallen onder de categorie dek- of epitheelweefsel: a. spiercellen b. kliercellen c. spiercellen en slijmcellen d. beencellen 8) 1. Iemand met de hoogste maximale zuurstofopname per kg. lichaamsgewicht heeft automatisch de grootste longinhoud. 2. Zweetklieren zijn klieren met externe secretie. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 9) Met het ouder worden treedt het volgende verschijnsel op: a. toename van de elasticiteit van de vaatwanden b. toename van de diastolische bloeddruk c. daling van de systolische bloeddruk d. daling van de ruststofwisseling 10) De huidlaag, waar eventueel opslag van vocht en/of vet kan optreden is de: a. epidermis b. dermis c. subcutis d. cutis 11) Over welke contractie spreken wij als een spier tijdens de contractie langer wordt: a. concentrische contractie b. excentrische contractie c. isometrische contractie d. statische contractie 12) Van welke factor(en) is de maximale kracht van een spier afhankelijk: a. aantal spiervezels b. aantal actieve motorische eenheden c. de dikte van de spiervezels d. zowel a, b en c zijn juist 13) Bij een sterke isometrische (statische) contractie: a. blijft de spanning gelijk b. is er een slechte doorbloeding van de spier c. wordt de spier korter d. wordt de spier langer 14) Welke kenmerken behoren alle tot het hartspierweefsel: a. dwarsgestreept, animaal geïnnerveerd, snel vermoeid b. dwarsgestreept, vegetatief geïnnerveerd, vrijwel onvermoeibaar c. glad, animaal geïnnerveerd, vrijwel onvermoeibaar d. glad, vegetatief geïnnerveerd, snel vermoeibaar 15) Een voorbeeld van externe secretie is de productie van: a. adrenaline b. insuline c. maagsap d. melkzuur 16) Welk deel van een neuron geleidt prikkels naar het cellichaam toe, de: a. celkern b. dendriet c. mergschede d. neuriet 17) Welk van de volgende organen is in rust de belangrijkste voor de waterhuishouding van de mens, de: a. dikke darm b. huid c. longen d. nieren 18) De lever is o.a. in staat om: a. prothrombine te maken onder invloed van vitamine D b. glycogeen op te slaan onder invloed van adrenaline c. eiwitten af te breken d. alle bovenstaande antwoorden zijn juist 19) De nieren verzorgen: a. de warmtehuishouding in het lichaam b. de water- en zouthuishouding in het lichaam c. de regeling van het eiwitgehalte in het bloed d. voornamelijk de regeling van de pH in het bloed 20) Onder abnormale bestanddelen van urine vallen: a. zouten b. hormonen en afbraakproducten c. eiwitten d. ureum 21) 1. Als de bloeddruk stijgt, scheiden de nieren minder vocht uit. 2. Het bijniermerg is een onderdeel van het uitscheidingsstelsel. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 22) Voor een maximale isometrische spiercontractie geldt dat: a. nog niet alle motorunits gebruikt worden b. de sympathische activiteit minder wordt c. in iedere spier evenveel motorunits gebruikt worden d. de diastolische bloeddruk heel hoog op kan lopen 23) De stofwisseling vindt plaats in: a. het protoplasma b. het weefselvocht c. de bloedvaten d. het bloed 24) Welke vitamine kan de mens zelf maken: a. vitamine A b. vitamine B c. vitamine C d. vitamine D 25) Het rood worden bij warmte of emotie is het gevolg van: a. vasodilatatie in de epidermis b. vasoconstrictie in de epidermis c. vasodilatatie in de dermis d. vasoconstrictie in de dermis 26) Wat gebeurt er onder invloed van ultraviolette stralen uit het zonlicht: a. de bacteriën gaan gedeeltelijk dood b. de huid wordt dikker zodat infectiegevaar kleiner wordt c. er wordt vitamine C gevormd d. er lost onderhuids vetweefsel op 27) Wat scheidt de nier onder normale omstandigheden uit: a. bacteriën b. eiwitten c. suiker d. ureum 28) Energieproductie vindt plaats in de: a. celkern b. mitochondriën c. ribosomen d. nucleolus 29) Oedeem in de weefsels treedt op wanneer: a. zich in het bloedplasma te veel albumine bevindt b. zich in het weefselvocht te weinig eiwitten bevinden c. de capillairwand inpermeabel wordt door plasma-eiwitten d. de veneuze afvloed uit deze weefsels vertraagd is 30) Spierweefsel dat dwarsgestreept is vindt men in: a. alle spierweefsels b. de wand van de baarmoeder c. de wand van het maagdarmkanaal d. hartspierweefsel 31) Welke van de hieronder genoemde weefsels bezit niet de ernaast genoemde specialisatie: a. lever - stofwisseling b. kliercellen - absorptie c. zintuigcellen - prikkelbaarheid d. beenmerg - vorming van bloedcellen 32) Binnen de cel kunnen voedingsstoffen voornamelijk worden opgeslagen in: a. mitochondriën b. het Golgi-apparaat c. de nucleolus d. vacuolen 33) Het maximale rendement van spiercontracties bij lichamelijke inspanning bedraagt ongeveer: a. 0% b. 25% c. 50% d. 75% 34) De brandstof voor de spiervezels is (zijn): a. eiwitten b. calciumionen c. glucose d. alle bovenstaande antwoorden zijn juist 35) In de epidermis bevinden zich: a. lymfevaten b. bloedvaten c. tastlichaampjes d. geen van bovengenoemde alternatieven is juist 36) De taak van de nieren is: a. het voorkomen van nierstenen b. het verzamelen van de urine c. het zuiveren van het bloed d. de urine vast te houden 37) De volwassen cel is: 1. altijd voorzien van een celkern 2. ondeelbaar a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 38) Kenmerkend voor epitheelweefsel is dat het altijd: a. uit platte cellen bestaat b. uit aaneengesloten kubische cellen bestaat c. in- en uitwendige holten bekleedt d. slijmklieren bevat 39) Kenmerkend voor steunweefsel is dat het: a. collagene vezels bevat b. cellen, tussenstof en vezels bevat c. de zenuwcellen in hun functie steunt d. kleurloos is 40) Het karakter van steunweefsel wordt bepaald door de: a. aard van de tussenstof b. vorm van de weefsels c. hoeveelheid cellen d. functie van het weefsel 41) Zetmeel bestaat uit: a. koolhydraten b. vetten c. mineralen d. eiwitten 42) 1. Vezelkraakbeen bevat veel cellen en weinig vezels. 2. Vezelkraakbeen komt o.a. voor in menisci. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 43) Het kenmerk van al het spierweefsel is de: a. dwarsstreping b. samentrekbaarheid c. impulsgeleiding d. tussencelstof 44) Dekepitheel is een onderdeel van de: a. klieren b. zintuigen c. steunweefsel d. huid 45) Een eigenschap van glad spierweefsel is dat het: a. snel samentrekt b. aan het skelet bevestigd is c. langzaam samentrekt d. afhankelijk is van de wil 46) Een weefsel bestaat uit: a. verschillende soorten cellen b. gelijk functionerende cellen c. gelijkvormige en gelijk functionerende cellen d. gelijkvormige cellen 47) De vacuole van de cel is: a. de kernwand b. de opslagplaats c. een vetdeeltje d. protoplasma 48) Een groep cellen bijeen met dezelfde vorm en functie is een: a. orgaan b. orgaansysteem c. weefsel d. netwerk 49) Verschillende weefsels samengebracht met het doel één functie te bereiken is een: a. orgaan b. orgaansysteem c. weefsel d. netwerk 50) Aan de binnenzijde van het lichaam noemen we het epitheel: a. plaveisel epitheel b. meerlagig epitheel c. endotheel weefsel d. kubisch epitheel 51) Het ontstaan van kippenvel is een gevolg van samentrekking van de: a. haarspiertjes b. haarzakjes c. huid d. lederhuid 52) Kenmerkend voor de epidermis is dat ze: a. geen bloedvaten en zenuwen bevat b. bloedvaten en zenuwen bevat c. uit enkelvoudig plaveisel epitheel bestaat d. uit enkelvoudig cilindrisch epitheel bestaat 53) De talgklieren monden uit in: a. de hoornlaag b. de opperhuid c. een zweetklier d. een haarzakje 54) De stratus corneum bestaat uit: a. levende cellen b. dode cellen c. schubben d. een vlies 55) De huid produceert onder invloed van zonlicht: a. vitamine C b. vitamine D c. fermenten d. vitamine B 56) Pigmentvorming in de huid die ontstaat onder invloed van zonlicht, dient onder normale omstandigheden voor: a. bescherming tegen uitdroging b. het verkrijgen van een mooie bruine huid c. bescherming tegen bacteriën d. bescherming tegen U.V. stralen 57) De huid werkt absorberend voor mechanische letsels: deze werking ligt voornamelijk in: a. de opperhuid b. het vetweefsel c. het onderhuids bindweefsel d. de lederhuid 58) Uit welk spierweefsel zal het haarspiertje bestaan: a. glad spierweefsel b. dwarsgestreept spierweefsel c. enkelvoudig spierweefsel d. hartspierweefsel 59) Door de lever wordt (worden) gemaakt: a. erythrocyten b. thrombocyten c. bloedeiwitten d. thrombine 60) Welke van de volgende stoffen heeft onder normale omstandigheden de hoogste concentratie in de urine: a. glucose b. ureum c. creatinine d. kalium 61) Per etmaal wordt bij volwassenen onder normale omstandigheden door de nieren gemiddeld uitgescheiden: a. 6 liter urine b. 4,5 liter urine c. 3 liter urine d. 1,5 liter urine 62) Welke van de volgende stof(fen) mag/mogen niet in de urine voorkomen: a. galkleurstoffen b. ureum c. suiker d. hormonen 63) Als brandstoffen dienen: a. vitaminen, energie en zouten b. koolhydraten, vetten en eiwitten c. koolhydraten, water, zouten en vitaminen d. koolhydraten, vetten, water en vitaminen 64) IJzer is een essentiële bouwstof voor: a. hemoglobine b. bot c. enzymen d. hormonen 65) De eilandjes van Langerhans behoren bij de: a. lever b. milt c. alvleesklier d. bijnieren 66) Welke hiërarchische volgorde is juist: a. cellen/organen/orgaanstelsels/weefsels b. weefsels/orgaanstelsels/organen/cellen c. cellen/weefsels/organen/orgaanstelsels d. organen/weefsels/cellen/orgaanstelsels 67) Tot steunweefsel behoren: a. botten en huid b. kraakbeen en spierweefsel c. bind- en beenweefsel d. kraakbeen, beenweefsel en spierweefsel 68) 1. De vaste bestanddelen van het bloed (erythrocyten, thrombocyten en granulocyten) worden aangemaakt in het gele beenmerg. 2. Rood beenmerg komt hoofdzakelijk voor in platte beenderen. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 69) Welke van de onderstaande functies geschiedt in de lever: a. vorming van lipase b. splitsing van vitamine D c. vorming van prothrombine onder invloed van vitamine K d. opslag van aminozuren 70) Reflectorisch treedt bij stijging van de lichaamstemperatuur op: a. verhoogde spierarbeid b. vermindering ademhaling c. vasodilatatie in de huid d. vasoconstrictie in de huid 71) Welke vitamine wordt in de lever gebruikt om prothrombine te vormen: a. vitamine C b. vitamine K c. vitamine B d. vitamine A 72) Alle cellen hebben een kern behalve de: a. hersencel b. erythrocyt c. leukocyt d. monocyt 73) Een cel bestaat uit: a. celmembraan en kern b. microstructuren zoals organellen en lysosomen c. protoplasma en een kern d. zowel a, b en c zijn juist 74) Animale verrichtingen van cellen zijn: a. voedselopname, ademhaling en uitscheiding b. beweging, prikkelbaarheid en prikkelgeleiding c. groei en voortplanting d. zowel a, b en c zijn juist 75) Pigment wordt gevormd in: a. de hoornlaag van de epidermis b. de basale laag van de epidermis c. het corium d. het subcutis 76) Krachttraining leidt tot toename van de spierkracht. Dit is het gevolg van: a. dikkere spiervezels b. langere spiervezels c. meer spiervezels d. minder spiervezels 77) Excentrische spiercontractie van de kniestrekkers treedt op bij: a. het bestijgen van de trap b. het neerkomen na een sprong c. het opstaan uit een stoel d. tegen de wind in fietsen 78) Bij welke topsporters verwacht je het hoogste percentage "slow-twitch" (rode) spiervezels: a. langlaufers b. speerwerpers c. sprinters d. voetballers 79) Spieren met overwegend witte spiervezels bevatten minder dan spieren met overwegend rode spiervezels: a. capillairen b. arteriolen c. mitochondriën d. myosine 80) De kracht die een spier tijdens een contractie levert wordt o.a. bepaald door: a. de prikkelfrequentie b. de voorrek van de spier c. het aantal werkzame spiervezels d. alle bovengenoemde 81) Wat is de kleinste functionele eenheid waarin een skeletspier (zoals de biceps) kan werken: a. een motor unit b. een spierbundel c. een spiergroep d. een spiervezel 82) De nier is een excretie (uitscheidings) orgaan. Via de nier worden normaal verwijderd: a. bacteriën b. glucose c. ureum d. eiwitten 83) De skeletspieren worden bij een concentrische contractie: a. altijd korter en dikker b. altijd langer en dikker c. soms langer en harder d. soms langer en weker 84) De spieren gebruiken gedurende intensieve spierarbeid: a. hoofdzakelijk eiwitten en zuurstof b. hoofdzakelijk koolhydraten en zuurstof c. hoofdzakelijk vetten en zuurstof d. alle drie zijn juist 85) Statische spierarbeid: a. geeft de beste doorbloeding van een spier b. geeft minder goede doorbloeding van een spier dan dynamische spierarbeid c. voert in het algemeen tot een betere ademhaling dan dynamische spierarbeid d. voert in het algemeen tot een betere bloedcirculatie dan dynamische spierarbeid 86) Bij de arbeidsstofwisseling in de spier komt energie vrij in de vorm van: a. 1/3 spierkracht + 2/3 warmte b. 2/3 spierkracht + 1/3 warmte c. 2/3 CO2 en H2O + 1/3 warmte d. 1/3 CO2 en H2O + 1/3 warmte + 1/3 spierkracht 87) Het milieu-interieur is: a. de ruimte in een orgaan b. de ruimte binnen de huid gelegen c. de ruimte in een lichaamscel d. de ruimte rond de lichaamscellen 88) De functie van de celkern is: a. opslag van koolhydraten b. leveren van energie c. opslag van mineralen d. regelen van de celdeling 89) Hoeveel kernen heeft de dwarsgestreepte spiercel: a. geen b. 1 c. meer dan 1 d. evenveel als de gladde spiercel 90) Hoe kan het lichaam vet kwijtraken: a. door uitscheiding b. door omzetting in eiwitten c. door omzetting in koolhydraten d. door verbranding 91) Welke stof passeert moeilijk de celmembraan: a. water b. kalium c. glucose d. eiwit 92) Waar vindt in het lichaam voornamelijk de verbranding plaats: a. in het milieu interieur b. in de longen c. in de cellen d. zowel a, b en c zijn juist 93) Wat is het belangrijkste orgaan voor de waterhuishouding bij een lichaam in rust: a. de dikke darm b. de huid c.de longen d. de nieren 94) Wat wordt door de nier gereguleerd: a. de zouten b. de vetten c. de eiwitten d. zowel a, b en c zijn juist 95) Na het drinken van 1 liter zuiver water: a. neemt de zoutafscheiding toe b. neemt de urineproductie toe c. neemt de zweetproductie toe d. zowel a, b en c zijn juist 96) Bij het lichaam in rust en bij normale klimatologische omstandigheden vindt de vochtuitscheiding plaats via: a. de nieren b. de huid en de nieren c. de nieren en de luchtwegen d. de nieren, de huid en de luchtwegen 97) Een voorbeeld van externe secretie is de productie van: a. insuline b. adrenaline c. maagsap d. melkzuur 98) 1. De verhouding rode en witte spiervezels is in hoofdzaak in aanleg bepaald. 2. Witte spiervezels contraheren langzamer dan rode spiervezels. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 99) Witte spiervezels hebben in verhouding.....dan rode spiervezels: a. meer mitochondriën b. een snellere krachtsontwikkeling c. een grotere bloedtoevoer d. een hoger myoblobinegehalte 100) Tijdens een contractie wordt de kracht van een spier o.a. bepaald door: a. het aantal werkzame spiervezels b. de voorrek van een spier c. de prikkelfrequentie d. zowel a, b en c zijn juist 101) Witte spiervezels hebben: a. veel zenuwvezels b. een snelle contractie c. veel mitochondriën d. een grote bloedvoorziening 102) Rode spiervezels worden gekenmerkt door: a. een snelle contractie b. weinig mitochondriën c. veel mitochondriën d. een grote glycogeenopslag 103) Bij een sterke isometrische (statische) contractie: a. blijft de spiertonus gelijk b. is er een slechte doorbloeding van de spier c. wordt de spier langer d. wordt de spier korter 104) Wat is de overeenkomst tussen de hartspier en een skeletspier: a. dwarsgestreept b. snelle vermoeidheid c. eigen prikkelvoorziening d. willekeurig 105) 1. Dwarse streping van spiervezels vindt men alleen bij skeletspieren. 2. Dwarse streping wordt veroorzaakt door rangschikking van eiwitmoleculen. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 106) De maximale kracht van een spier is afhankelijk van: a. het aantal actieve motor units b. het aantal spiervezels c. de dikte van de spiervezels d. zowel a, b en c zijn juist 107) Als een spier gerekt wordt bij een contractie, spreken we van: a. een statische contractie b. een concentrische contractie c. een excentrische contractie d. isotonische contractie 108) Een contractie van een spier is mogelijk zonder: a. zuurstof b. ATP c. actine d. calcium-ionen 109) 1. Willekeurige spieren kenmerken zich door een dwarsstreping. 2. Dwarsstreping van spieren wordt veroorzaakt door rangschikking van bindweefselvezels. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 110) De kracht die een spier kan ontwikkelen is afhankelijk van: a. de hoek van aanhechting van de spier op een botstuk b. de lengte van een spier c. de snelheid waarmee de kracht ontwikkeld wordt d. zowel a, b en c zijn juist.