% Fysiologie Interne secretie Vragen 1) Insuline veroorzaakt: a. de omzetting van glucose in glycogeen b. een verhoging van de stofwisseling c. de omzetting van glycogeen in glucose d. geen van bovengenoemde alternatieven is juist 2) De werking van adrenaline is: a. bevordering van de spijsvertering b. verlaging van de hartslag-frequentie c. remming van de vetverbranding d. bevordering van de zweetsecretie 3) Noradrenaline wordt vrijgemaakt: a. door de bijnierschors b. altijd aan het einde van het animale zenuwstelsel c. door de hypofyse d. door het bijniermerg 4) Insuline wordt voornamelijk geproduceerd: a. tijdens rust b. door de milt c. door de cellen in de bijnier d. in de lever 5) Het effect van adrenaline is onder andere: a. verwijding van de bloedvaten in het bewegingsapparaat b. vertraging van de hartfrequentie c. vernauwing van de bloedvaten in de longen d. verwijding van de bloedvaten in het maagdarmkanaaI 6) Bij een verhoogde activiteit van de schildklier treedt o.a het volgende verschijnsel op: a. koude rillingen b. verhoogde stofwisselingsactiviteit c. verlaging van het hartminuutvolume d. vasodilatatie in het maagdarmkanaaI 7) Als direct gevolg op fysieke inspanning treden de volgende hormonale veranderingen op: a. verlaging van de insulinesecretie b. verhoging van de cortisonproduktie door sympatische prikkeling c. verlaging van de secretie van het schildklierhormoon d. verlaging van de adrenalinesecretie 8) Hormonen zijn producten van: a. klieren met afvoerbuizen b. bloedlichaampjes c. klieren met interne secretie d. zweetklieren 9) Welke kliersoort hoort niet in onderstaand rijtje thuis: a. zweetklieren b. geslachtsklieren c. hypofyse d. schildklieren 10) De "eilandjes van Langerhans" behoren bij de: a. schildklier b. geslachtsklieren c. thymus d. pancreas 11) Eén van de oorzaken van een te hoog bloedsuikergehalte kan zijn: a. onvoldoende afscheiding van adrenaline b. te veel afscheiding van adrenaline c. onvoldoende afscheiding van insuline d. te veel afscheiding van insuline 12) De werking van het hormonale stelsel strekt zich uit tot: a. bepaalde organen b. uitsluitend de vegetatieve levensprocessen c. alle levensprocessen d. uitsluitend bloedsomloop en ademhaling 13) Welk hormoon wordt door het bijniermerg geproduceerd: a. insuline b. thyroxine c. adrenaline d. testosteron 14) Een verhoogde functie van de schildklier kan tot gevolg hebben: a. een verhoogde vetafzetting, dikker worden b. een verhoogde stofwisseling, vermagering c. oogafwijkingen d. een verlaagde stofwisseling, verhoging lichaamsgewicht 15) Van waaruit wordt de interne secretie geregeld: a. het cerebrum b. de geslachtsklieren c. het animale zenuwstelsel d. de hypofyse 16) Hormonen zijn producten van klieren met inwendige afscheiding. Zo maakt: a. de bijnier het adrenaline b. de bijnier het insuline c. de lever het adrenaline d. de lever het insuline 17) Het merg van de bijnier produceert het hormoon: a. insuline b. adrenaline c. cortison d. oestrogeen 18) Kenmerkend voor een hormoon is dat het: a. een organisch, niet eiwitachtige structuur heeft b. door het bloed wordt afgegeven aan een klier met inwendige secretie c. altijd een klier met inwendige secretie activeert d. een product is van een klier met inwendige secretie 19) Welke van de volgende symptomen zal men vinden bij een te sterke functie van de schildklier: a. verhoogd basaalmetabolisme b. kouwelijkheid c. lage lichaamstemperatuur d. dik worden 20) Een klier met inwendige secretie geeft zijn product af aan: a. de darm b. het bloed c. de hypofyse d. zichzelf 21) Insuline speelt een rol bij de: a. vetafbraak in het duodenum b. zetmeel splitsing in de maag c. vorming van galzure-zouten in het jejunum d. glycogeenvorming in de lever 22) Welk hormoon doet de bloedsuikerspiegel dalen: a. adrenaline b. cortison c. insuline d. groeihormoon 23) Testosteron bevordert bij de man de ontwikkeling van: a. de primaire geslachtskenmerken b. de secundaire geslachtskenmerken c. beide d. geen van beide 24) De insuline secretie van de pancreas wordt het meest beïnvloed door: a. inspuiting van een glucoseoplossing b. activerende orthosympatische prikkels c. een vetrijke maaltijd d. remmende parasympatische prikkels 25) Kenmerkend voor de werking van adrenaline is een: a. bevordering van de glycogeenstapeling b. bevordering van de glucosevorming c. remming van de eiwitvorming d. remming van de glucosevorming 26) De pancreas produceert het hormoon: a. adrenaline b. amylase c. insuline d. lipase 27) Tijdens lichamelijke inspanning komt het zogenaamde arbeidshormoon in grote mate vrij. Met dit hormoon bedoelt men meestal: a. adrenaline b. insuline c. testosteron d. cortison 28) 1. Controle op anabole steroïden is moeilijk, omdat de sportman zelf dit hormoon produceert. 2. Mannelijke geslachtshormonen treft men ook aan in het bloed van de vrouw. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 29) Welke klier en welk product horen bij elkaar: a. alvleesklier produceert het groeihormoon b. bijnier produceert adrenaline c. hypofyse produceert insuline d. schildklier produceert ADH 30) Wat is de werking van adrenaline, het: a. verhoogt de hartfrequentie b. verhoogt de wateruitscheiding via de nieren c. verlaagt de bloedsuikerspiegel d. vertraagt de stofwisseling 31) De hypofyse produceert o.a. het volgende hormoon: a. ADH (antidiuretisch hormoon) b. adrenaline c. insuline d. zowel a, b en c zijn juist 32) 1. De mannelijke geslachtshormonen kunnen een effect hebben op de toename van de spiermassa. 2. Mannelijke- en vrouwelijke geslachtshormonen worden zowel door de man als door de vrouw geproduceerd a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 33) Een hormoon dat door de pancreas wordt geproduceerd is: a. ACTH (adrenocorticotroophormoon) b. ADH (antidiuretisch hormoon) c. insuline d. pancreassap 34) Welk hormoon wordt in verhoogde mate geproduceerd tijdens lichamelijke inspanning: a. adrenaline b. groeihormoon c. insuline d. thyroxine 35) Welk van de volgende hormonen veroorzaakt een daling van een te hoog bloedsuikergehalte: a. adrenaline b. glucagon c. insuline d. geen van bovenstaande hormonen 36) Waardoor wordt het bloedsuikergehalte verlaagd: a. adrenaline b. creatinefosfaat c. glucagon d. insuline 37) Welk hormoon is belangrijk in verband met het "paraat" zijn van het lichaam voor een 400m loop: a. adrenaline b. oestrogeen c. insuline d. testosteron 38) Toediening van glucose voor een wedstrijd leidt in eerste instantie tot: a. een stijging van het insulinegehalte van het bloed b. een toename van de eiwitstofwisseling c. een toename van de vetstofwisseling d. vrijmaking van glucose in de lever 39) Welke van de volgende hormonen wordt in verhoogde mate geproduceerd tijdens inspanning: a. adrenaline b. groeihormoon c. insuline d. thyroxine 40) De secretie van de pancreas: a. vermeerdert na inspuiting van een glucoseoplossing b. vermeerdert onder invloed van de orthosympaticus c. vermindert bij een koolhydraatrijke maaltijd d. vermindert onder invloed van de parasympaticus 41) In het volgende rijtje hoort niet thuis: a. bijnieren b. hypofyse c. lever d. schildklier 42) Welk(e) hormoon(hormonen) beïnvloedt(beïnvloeden) het bloedsuikergehalte: a. adrenaline b. glucagon c. insuline d. zowel a, b en c zijn juist 43) De hypofyse produceert: a. ADH (anti diuretische hormonen) b. insuline c. adrenaline d. geen van bovengenoemde hormonen 44) 1. Adrenaline verhoogt de contractiekrachten van het hart. 2. Adrenaline verhoogt de hartfrequentie a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 45) Een daling van een te hoog bloedsuikergehalte wordt veroorzaakt door: a. adrenaline b. insuline c. glucagon d. zowel a, b en c zijn juist 46) 1. Omdat een sportman zelf een soort anabole steroïden produceert, is controle moeilijk. 2. Mannelijke geslachtshormonen komen ook bij de vrouw voor a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 47) 1. De mannelijke geslachtsh0l111onen kunnen een grotere spiermassa tot gevolg hebben 2. Zowel de man als de vrouw produceert mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 48) Glucagon: a. verlaagt het glucosegehalte van het bloed b. verhoogt het glucosegehalte van het bloed c. bevordert de glucoseopname in de dunne darm d. bevordert de terugresorptie van glucose in de nier 49) De pancreas produceert het hormoon: a. ACTH (adrenocorticotroop hormoon) b. ADH (antidiuretisch hormoon) c. insuline d. verlaagt het bloedsuikergehalte 50) Welk hormoon en welke klier horen bij elkaar: a. schildklier - ADH (antidiuretisch hormoon) b. hypofyse - insuline c. pancreas - groeihormoon d. bijnier - adrenaline 51) In eerste instantie leidt het toedienen van druivensuiker voor een wedstrijd tot: a. een toename van de eiwitstofwisseling b. een toename van de vetstofwisseling c. een toename van het insulinegehalte van het bloed d. een toename van het glucagongehalte in het bloed