% Fysiologie Zenuwstelsel Vragen 1) Het centrale zenuwstelsel krijgt informatie: a. alleen uit de huid en de spieren b. alleen langs nerveuze weg c. alleen uit de vrije zenuwuiteinden d. langs nerveuze- en humorale weg 2) Het receptieve deel van een zenuwcel bestaat uit de: a. dendrieten en het cellichaam b. neuriet en het cellichaam c. dendrieten en de neuriet d. axon en de myelineschede 3) Het parasympathische zenuwstelsel veroorzaakt: a. remming van de beweging van het maagdarmkanaal b. vernauwing van de bloedvaten in het algemeen c. een versterkte secretie van de spijsverteringsklieren d. een versnelde hartwerking 4) Het ruggemerg bevat ondermeer: a. afdalende sensibele banen en motorische voorhoorncellen b. afdalende motorische banen en afdalende sensibele banen c. afdalende motorische banen en motorische voorhoorncellen d. opstijgende motorische banen en motorische voorhoorncellen 5) Het vegetatieve zenuwstelsel: a. kan via hormoonactiviteit werken b. maakt altijd acetylcholine vrij c. stimuleert de hartslagfrequentie d. is niet bij alle stofwisselingsprocessen actief 6) Zintuigcellen komen voor in de: a. spieren b. gewrichtskapsels c. pezen d. alle bovengenoemde antwoorden 7) Verhoging van de hartfrequentie kan tot stand komen door: 1. Veranderde orthosympatische activiteit. 2. Veranderde parasympatische activiteit. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 8) De "alles of niets" wet is niet van toepassing op een: a. spiercel b. spierbundel c. motor unit d. axon 9) Directe prikkeloverdracht is mogelijk tussen: a. zenuwcellen b. hartspiercellen c. skeletspiercellen d. alle bovenstaande antwoorden zijn juist 10) Onder animale lichaamsfuncties verstaat men: a. reacties die tot taak hebben de soort in stand te houden b. reacties die tot taak hebben het milieu interieur constant te houden c. alle anabole reacties d. reacties van het individu op prikkels uit het milieu exterieur 11) Een neuriet is: a. een zenuwcel b. het schorsgedeelte van een zenuw c. het receptief deel van een zenuw d. een lange uitloper van een zenuw 12) Een opeenhoping van zenuwcellen buiten het centrale zenuwstelsel noemt men: a. een synaps b. neuriet c. motorische eindplaat d. ganglion 13) Het vegetatieve (autonome) zenuwstelsel: a. staat onder invloed van onze wil b. staat niet onder invloed van onze wil c. staat onder invloed van onze zintuigen d. is zowel willekeurig als onwillekeurig 14) De werking van het hart wordt beïnvloed door: a. het autonome zenuwstelsel b. het animale zenuwstelsel c. geen van beide d. beide 15) De invloed van het (ortho)sympatische zenuwstelsel op de luchtwegen geeft een: a. versnelde ademhaling b. vertraagde ademhaling c. vernauwing van de luchtwegen d. verwijding van de luchtwegen 16) Wanneer is een zenuw niet geleidend voor een volgende impuls: a. als de met de zenuw verbonden spier vermoeid is b. als de voorgaande impuls te kort is geweest c. als de voorgaande impuls te lang is geweest d. tijdens de refractaire periode 17) De verbindingsplaats tussen de spier en zenuw wordt genoemd: a. synaps b. neuriet c. motorische eindplaat d. spierspoel 18) Hoe noemt men de zenuwen die de zintuigen met de centrale delen van het zenuwstelsel verbinden: a. motorische zenuwen b. sensibele zenuwen c. gemengde zenuwen d. vegetatieve zenuwen 19) Hoeveel paar ruggemergzenuwen heeft de mens: a. 28 b. 30 c. 32 d. 34 20) De motorische zenuwbanen liggen in het ruggemerg: a. aan de rugzijde b. aan de voorzijde c. aan de zijkant d. zijn verdeeld over voor-, achter- en zijkant 21) Het (ortho)sympatische zenuwstelsel oefent invloed uit op: a. het herstel van vermoeide skeletspieren b. de rust van de inwendige organen c. de werkzaamheid van de skeletspieren d. het stimuleren van bepaalde vegetatieve organen 22) Een zenuwvezel die vanuit het ruggemerg loopt naar de musculus biceps brachii is een: a. motorische zenuw b. gevoelszenuw c. gemengde zenuw d. zintuigzenuw 23) Onder een motorische eenheid (motor unit) verstaat men een: a. motorische voorhoorncel met diens uitlopers b. aantal spieren dat voor een bepaalde beweging in een gewricht zorgt c. aantal motorische voorhoorncellen in het ruggemerg, die gezamenlijk een spier innerveren d. motorische voorhoorncel, diens neuriet en een aantal door die motorische voorhoorncel geïnnerveerde spiervezels 24) Als een willekeurige spier tot werking wordt aangezet, geschiedt dit via: a. sensibele neuronen b. vegetatieve zenuwstelsel c. motorische neuronen d. autonome zenuwstelsel 25) De taak van de kleine hersenen is o.a.: a. zij dienen voor de herinnering b. het tot stand brengen van de reflexen c. het doen samenwerken (coördineren) van de verschillende spiergroepen d. regulatie van de lichaamstemperatuur 26) Een motor unit is: a. 1 spiervezel met de daarbij behorende zenuwweefsels b. spiervezel met de daarbij behorende zenuwweefsels c. 1 zenuwvezel met de daarbij behorende spiervezel d. 1 zenuwvezel met de daarbij behorende spiervezels 27) Een primaire reflex loopt over: a. de n. sympathicus b. de hersenschors c. de n. parasympathicus d. het ruggemerg 28) Een synaps is een: a. ruggemergcel b. receptor c. plaats waar de prikkel overdracht plaatsvindt d. uitloper van een zenuwcel 29) Zenuwcellen onderscheiden zich van spiercellen, doordat ze: a. een harde celwand hebben b. twee kernen hebben c. zeer veel tussenstof maken d. lange uitlopers hebben 30) 1. In de schors van de hersenen (cortex cerebri) vinden wij motorische velden die mede de spierfuncties regelen, hierin treffen wij grote zgn. piramidecellen aan. 2. Een van de functies van de kleine hersenen is het regelen of coördineren van spierbewegingen, eventueel in harmonische samenwerking met de extrapiramidale velden a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 31) Het cerebellum is vooral belangrijk voor: a. coördinatie van bewegingen b. coördinatie van visuele impulsen c. bewustwording van proprioceptieve impulsen d. beïnvloeding van de vegetatieve hersencentra 32) Welk gedeelte van een neuron kan omgeven zijn door een myeline schede, de: a. dendrieten b. neuriet of axon c. gehele kern d. celkern 33) Waar ontspringen de motorische zenuwen in het ruggemerg, in: a. het spinale ganglion b. de achterhoorn c. het paravertebrale ganglion d. de voorhoorn 34) Een bepaalde dwarsgestreepte skeletspier van een mens: a. bestaat uit een vast aantal motorische eenheden die afwisselend functioneren bij contractie van de spier b. bestaat uit een vast aantal motorische eenheden (motor units) die allen tegelijk contraheren c. bestaat uit een wisselend aantal motorische eenheden die afwisselend functioneren d. bestaat uit een wisselend aantal motorische eenheden die bij contractie van de spiercellen werken 35) Bij een langdurige spiercontractie: a. zullen de motor units van een spier alle spiervezels tegelijk innerveren b. zullen beurtelings een aantal motor units een aantal spiervezels innerveren c. zal een spier niet meer kunnen contraheren door opeenhoping van melkzuur d. zal een spier altijd maximaal gecontraheerd zijn 36) Het parasympatische zenuwstelsel: a. remt de beweging b. vernauwt de bloedvaten in het algemeen c. vermeerdert de secretie van de spijsverteringsklieren d. werkt versnellend op de hartwerking 37) Welke bewering is waar: a. een reflex loopt altijd via het ruggemerg b. een reflex is altijd een willekeurig antwoord op een prikkel van buitenaf c. een reflex is een plotselinge beweging d. een reflex is een onwillekeurig antwoord op een prikkel 38) Om tot willekeurige spieractie te komen is nodig: a. prikkels grote hersenen + O2 + glucose b. prikkels kleine hersenen + O2 + glucose c. prikkels grote hersenen + CO2 + glucose d. prikkels kleine hersenen + CO2 + glucose 39) Het einde van de motorische eindplaat is de plaats waar: a. zich de overgang van zenuwvezel naar spiervezel bevindt b. altijd acetylcholine vrijkomt c. de motor units ingeschakeld worden d. bij iedere actiepotentiaal geen transmitterstof vrij komt 40) Een motor unit bestaat uit: a. de innerverende zenuwcel en 1 motorische eindplaat b. de motorische zenuwcel met de daardoor geïnnerveerde spiervezels c. een motorische eindplaat en alle innerverende motorische zenuwvezels d. een spier en zijn innerverende zenuw 41) Het zenuwlichaam behorende tot de motorische eenheid is gelokaliseerd in de: a. achterhoorn van het ruggemerg b. geïnnerveerde spier c. motorische eindplaat d. voorhoorn van het ruggemerg 42) De pyramidebanen (motorische banen) lopen van de: a. achterhoorn naar de grote hersenen b. hersenschors naar de kleine hersenen c. hersenschors naar de voorhoorn d. kleine hersenen naar de voorhoorn 43) Voor het goed uitoefenen van hun functie moeten de kleine hersenen informatie ontvangen uit o.a.: a. het bewegingsapparaat b. het evenwichtsorgaan c. de grote hersenen d. zowel a, b en c zijn juist 44) Welke van de onderstaande functies wordt door het animale zenuwstelsel geregeld: a. bloeddruk b. lichaamstemperatuur c. orgaanstofwisseling d. uitvoeren van bewegingen 45) Welke directe invloed heeft een toename van parasympatische activiteit op het hart: a. contractiekrachtverhogend b. frequentieverhogend c. frequentieverlagend d. HMV-verhogend 46) In welke van de onderstaande situaties is het orthosympatische zenuwstelsel het minst actief: a. bij het kijken naar een voetbalwedstrijd b. tijdens lezen c. na een uitgebreide maaltijd d. tijdens een middagdutje 47) In welk orgaan veroorzaakt de verhoogde orthosympatische activiteit tijdens lichamelijke inspanning een vaatvernauwing: a. in de actieve skeletspier b. in de hartspier c. in de hersenen d. in de lever 48) Lichamelijke rust is een toestand waarbij in vergelijking met lichamelijke inspanning de/het: a. N. accellerantes meer actief is b. N. vagus minder actief is c. orthosympatische systeem domineert d. parasympatische systeem domineert 49) Een verhoogde activiteit van het orthosympatische zenuwstelsel veroorzaakt een: a. hogere hartfrequentie b. grotere contractiekracht van het hart c. groter hartminuutvolume d. zowel a, b en c zijn juist 50) Wat wordt niet parasympatisch beïnvloed, de: a. contractie-toestand van de endeldarm b. secretie van de alvleesklier c. spanning van de skeletspier d. spanning van de urineblaas 51) 1. Regulaties van vegetatieve functies kan plaatsvinden via hormonen. 2. Regulaties van vegetatieve functies kan plaatsvinden via het zenuwstelsel. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 52) De overgang van rust naar lichamelijke arbeid gaat als regel gepaard met: a. verhoogde activiteit van het orthosympatisch systeem b. verhoogde activiteit van het parasympatisch systeem c. vermeerderde insuline-afscheiding d. verminderde adrenaline-afscheiding 53) Tot het perifere zenuwstelsel behoort (behoren): a. de grote hersenen b. de hersenzenuwen c. de kleine hersenen d. het ruggemerg 54) Bij welk soort spierweefsel spreekt men van een motorische eenheid (motor unit): a. gladspierweefsel b. hartspierweefsel c. skeletspierweefsel d. alle drie deze soorten spierweefsel 55) In welk deel van het zenuwstelsel is het regelcentrum voor de coördinatie van bewegingen gelegen: a. de grote hersenen b. de kleine hersenen c. de hersenstam d. het verlengde merg 56) Het bewustzijn is een hersenfunctie die gelokaliseerd is in: a. de hersenschors b. de kleine hersenen c. het verlengde merg d. het ruggemerg 57) Waardoor wordt het centrale zenuwstelsel beschermd: a. de hersenvloeistof b. de schedel c. de wervelkolom d. alle bovengenoemde 58) Wat neemt toe bij prikkeling via de parasympatische vezels: a. de hartfrequentie b. de maagsapafscheiding c. de skeletspierinspanning d. de zweetproduktie 59) Opstijgende banen in het ruggemerg. 1. Behoren tot het centrale zenuwstelsel. 2. Brengen impulsen naar de motoneuronen. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 60) Het animale zenuwstelsel speelt een directe rol bij het: a. dalen van de hartfrequentie na inspanning b. handhaven van de spanning in de skeletspier c. het verwijden van de bronchiën na inspanning d. versnellen van het transport door de darm 61) Welk deel van het zenuwstelsel is betrokken bij een reflex: a. de motorische hersenschors b. de sensorische hersenschors c. een efferente zenuw d. het cerebellum 62) Waaruit ontvangen de kleine hersenen hun informatie: a. de grote hersenen b. de zintuigen c. het spierstelsel d. alle bovengenoemde antwoorden zijn juist 63) Een verhoogde activiteit van het parasympatisch zenuwstelsel gaat gepaard met een: a. stijging van de hartfrequentie b. verhoogde bloeddruk c. gestimuleerde spijsvertering d. hypertonie in de spieren 64) 1. Tijdens inspanning neemt de invloed van het parasympatisch systeem af. 2. Een verhoogde invloed van het orthosympatisch systeem leidt tot snellere en krachtiger systole van het hart. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 65) Waar vindt de prikkeloverdracht van zenuwcel op zenuwcel plaats: a. in de eindplaat b. in de knopen van Ranvier c. in de myeline schede d. in de synaps 66) De autoregulatie van de hartspier vindt plaats vanuit: a. het vegetatieve zenuwstelsel b. het hartregulatiecentrum c. de sinusknoop d. de atrie-ventriculaire knoop 67) Het autonome (vegetatieve) zenuwstelsel regelt de bloeddruk en heeft invloed op: 1. het HMV. 2. de perifere weerstand a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 68) 1. Het spijsverteringssysteem wordt geregeld door het autonome (vegetatieve) zenuwstelsel. 2. Het animale zenuwstelsel wordt verdeeld in een parasympatisch en een orthosympatisch gedeelte. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 69) Het hartregulatiecentrum is gelegen in: a. de grote hersenen b. het ruggemerg ter hoogte van lumbaal 2 c. het hart zelf d. het verlengde merg 70) 1. De n.vagus beïnvloedt rechtstreeks de contractiliteit van de hartspier. 2. De hartfrequentie wordt beïnvloed door zowel de n. vagus als de nn. accellerantes. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 71) 1. Als gevolg van lokale veranderingen neemt de doorbloeding van de beenspieren tijdens hardlopen toe. 2. Door verhoogde activiteit van het orthosympatisch zenuwstelsel neemt de doorbloeding van de maag af. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 72) Tijdens lichamelijke inspanning veroorzaakt de orthosympatische activiteit een bloedvatvernauwing in: a. de hersenen b. de hartspier c. de actieve skeletspier d. de lever 73) Als het orthosympatisch zenuwstelsel wordt geprikkeld, treedt op een: a. verhoogde darmperistaltiek b. daling van de hartfrequentie c. transpiratie d. verhoogde urine produktie 74) Bij prikkeling van het parasympatisch zenuwstelsel zal een vasoconstrictie ontstaan in: a. het hart b. de lever c. de huid d. de skeletspieren 75) Spontane prikkelvorming vindt plaats in: a. de longen b. de huid c. de maag d. het hart 76) Vanuit een rustsituatie naar spierarbeid geeft in de regel: a. een verhoogde insulineproduktie b. een verminderde adrenalineproduktie c. een verhoogde activiteit van het parasympatisch zenuwstelsel d. een verhoogde activiteit van het orthosympatisch zenuwstelsel 77) Bij een verhoogde prikkeling van de n. vagus op het hart: a. neemt het slagvolume toe b. neemt het hartminuutvolume toe c. neemt de frequentie af d. neemt de adrenalineproduktie toe 78) Via het parasympatisch systeem wordt niet beïnvloed: a. de spanning van de skeletspier b. de secretie van de pancreas c. de contracties van de dunne darm d. de spanning van de urineblaas 79) Bij een verhoogde activiteit van het orthosympatisch systeem zal: a. de contractiekracht van het hart toenemen b. de hartfrequentie toenemen c. het hartminuutvolume toenemen d. zowel a, b en c zijn juist 80) Een toename van parasympatische activiteit op het hart werkt: a. frequentieverhogend b. frequentieverlagend c. contractiekracht verhogend d. HMV-verhogend 81) 1. Een verhoging van de orthosympatische activiteit leidt tot snellere en krachtigere contracties van het hart. 2. Tijdens spierarbeid neemt de invloed van het parasympatisch zenuwstelsel af. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 82) Welk systeem overheerst bij de spijsvertering: a. het orthosympatisch systeem b. het parasympatisch systeem c. geen van beide d. afhankelijk van de grootte van de spijsbrij 83) 1. De meeste regulatiecentra van het vegetatieve zenuwstelsel zijn gelegen in de hersenstam. 2. Taak van het vegetatieve zenuwstelsel is handhaving van de homeostase in het milieu interieur. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 84) Het orthosympatisch zenuwstelsel is het minst actief: a. tijdens een middagslaapje b. na een uitgebreide maaltijd c. tijdens het kijken naar een spannende wedstrijd d. tijdens het maken van een toets op school 85) 1. Het zenuwstelsel kan vegetatieve functies regelen. 2. Hormonen kunnen vegetatieve functies regelen. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 86) Bij prikkeling van de parasympatische vezels neemt toe: a. de zweetproduktie b. de hartfrequentie c. de produktie van maagsap d. de vasodilatatie in de huid 87) Een synaps is de overgang van: a. neuron - hartspiervezel b. neuron - gladde spiervezel c. neuron - dwarsgestreepte spiervezel d. neuron - neuron 88) De regulatie van het milieu interieur vindt plaats door: a. het animale zenuwstelsel b. het vegetatieve zenuwstelsel c. de zintuigen d. de kleine hersenen 89) De kleinste functionele eenheid waarin een dwarsgestreepte spier kan werken is: a. een motor unit (motorische eenheid) b. een spiercel c. een spierbundel d. een spiergroep 90) Bij welk spierweefsel spreekt men van een motor unit (motorische eenheid): a. hartspierweefsel b. glad spierweefsel c. dwarsgestreept spierweefsel d. zowel a, b en c zijn juist 91) 1. Een enkele spiervezel kan door meerdere motorische voorhoorncellen worden geïnnerveerd. 2. Een enkele motorische voorhoorncel kan meerdere spiervezels innerveren. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 92) Het hoogste deel van het zenuwstelsel wat bij een kniepeesreflex is betrokken, is: a. het ruggemerg b. verlengde merg c. kleine hersenen d. grote hersenen 93) Het centrale zenuwstelsel wordt beschermd door: a. de schedel b. de hersenvloeistof c. de wervelkolom d. zowel a, b en c zijn juist 94) Een motorische zenuw geeft prikkels door aan: a. de skeletspieren b. ruggemerg c. de hartspier d. de grote hersenen 95) Uitwendige prikkels worden bewust in: a. ruggemerg b. verlengde merg c. kleine hersenen d. grote hersenen 96) Het animale zenuwstelsel regelt: a. de lichaamstemperatuur b. de hartfrequentie c. de bloeddruk d. het maken van bewegingen 97) De motorische (pyramide) banen lopen van: a. de achterhoorn naar de grote hersenen b. de grote hersenen naar de kleine hersenen c. de grote hersenen naar de voorhoorn d. de kleine hersenen naar de voorhoorn 98) 1. Bij een samengestelde reflex zoals de terugtrekreflex ontstaat de prikkel in de spier. 2. Bij een korte reflex zoals de kniepeesreflex ontstaat de prikkel in de spier. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 99) Opstijgende banen in het ruggemerg: 1. behoren tot het centraal zenuwstelsel. 2. brengen prikkels naar de motorische voorhoorncel. a. 1 en 2 zijn juist b. alleen 1 is juist c. alleen 2 is juist d. 1 en 2 zijn niet juist 100) Tot de perifere zenuwstelsel behoort/behoren: a. ruggemerg b. verlengde merg c. kleine hersenen d. hersenzenuw 101) De cellichaam van een motorische zenuwcel ligt in: a. de achterhoorn van het ruggemerg b. de kleine hersenen c. de grote hersenen d. de voorhoorn van het ruggemerg